Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

Nederland

De liefde van de Heilige Profeet (vzmh) tot God

Ieder aspect van het leven van de Profeet Mohammed (s) blijkt te zijn geregeerd en gekleurd door zijn liefde en toewijding tot God. Ondanks de zware verantwoordelijkheden die hem op de schouders waren gelegd, werd toch het grootste gedeelte van zijn tijd, overdag en ’s nachts, doorgebracht in aanbidding en verheerlijking van God . Hij stond te middernacht op en wijdde zich aan de aanbidding van God tot het tijd was om naar de moskee te gaan voor het ochtendgebed. Gedurende het laatste gedeelte van de nacht stond hij soms zó lang in gebed dat zijn voeten opzwollen. Zij die hem in deze toestand zagen waren zeer ontdaan. Eens zei Aisha (rh) tot hem:

“ God heeft u geëerd met Zijn liefde en nabijheid. Waarom onderwerpt u zich dan aan zulk ongemak?” “Hij antwoordde: “Als God mij door Zijn Genade en Barmhartigheid Zijn liefde en nabijheid heeft geschonken, is het dan op mijn beurt niet mijn plicht Hem altijd te danken? Dankbaarheid moet toenemen al naar gelang de ontvangen gunsten”.

Mohammed (s) ondernam nooit iets zonder goddelijk bevel of goddelijke toestemming. Ondanks de zware vervolgingen in Mekka, verliet hij de stad niet. Hij wachtte altijd eerst op het bevel van God. Toen de vervolgingen nog zwaarder werden gaf hij aan zijn Metgezellen toestemming om naar Abyssinië te migreren. Sommigen van hen vroegen de Profeet (s) om mee te gaan. Hij weigerde dit te doen op grond van het feit dat hij hiertoe geen goddelijke toestemming voor had ontvangen. Een groep van zijn Metgezellen vluchtte naar Abyssinië terwijl Mohammed (s) in Mekka achterbleef.

Ieder keer wanneer het woord van God werd gereciteerd en Mohammed (s) het hoorde werd hij door emoties overmand en vulden zijn ogen met tranen. In het bijzonder wanneer hij naar de verzen luisterde die zijn verantwoordelijkheden benadrukten.

Abdullah bin Mas’ud (ra) verhaalt dat hij eens door de Heilige Profeet (s) werd gevraagd enkele verzen uit de Heilige Koran te reciteren. Hij zei toen:

“ O Boodschapper van Allah! De Koran is u geopenbaard (d.w.z. u kent deze het beste van allen). Hoe zal ik deze dan voor u reciteren? Maar de Heilige Profeet (s) zei: “ Ik hoor hem ook graag als andere mensen hem reciteren “. Daarop begon: ‘Abdullah bin Mas’ud (ra) te reciteren uit soerah an – Nisa. Toen hij het vers “ En wat geschiedt, wanneer Wij een getuige van elk volk zullen roepen en u als getuige tegen deze zullen brengen? (4:42) “ reciteerde, riep de Heilige Profeet (s) uit: “ Genoeg! Genoeg! ‘Abdullah bin Mas’ud (ra) keek op en zag dat tranen uit de ogen van de Heilige Profeet (S) stromen.

De Heilige profeet (s) was stipt in het bijwonen van de gezamenlijke gebeden dat hij zelfs tijdens ernstige ziekte naar de moskee ging om het gebed te leiden. Hij had er ook voor kunnen kiezen om zijn gebeden thuis te verrichten. Een keer toen het hem onmogelijk was om het gebed te leiden in de moskee gaf hij de opdracht aan Abu Bakr (rh) om het gebed te leiden. Direct hierop voelde hij echter enige verbetering en vroeg om te worden ondersteund op weg naar de moskee. Hij steunde met zijn gewicht op de schouders van twee mannen, maar hij was zo ziek dat hij zijn voeten over de grond sleepten volgens ‘A’isha (rh).

Het is een algemeen gebruik om te applaudisseren, de Arabieren van die tijd deden dit ook. Echter de Heilige Profeet (s) vond de herdenking van God zeer belangrijk. Hij schafte het handklappen af en verving het door het loven en het herdenken van God. Er is overgeleverd dat op een dag de tijd van het gebed naderde, terwijl Mohammed (s) in een belangrijke aangelegenheid verwikkeld was en niet weg kon, gaf hij de opdracht aan Abu Bakr (rh) om het gebed te gaan leiden. Kort hierna was het hem mogelijk de zaken waarin hij verwikkeld was af te sluiten en ging direct naar de moskee. Abu Bakr (rh) leidde het gebed, maar toen de aanwezigen bemerkten dat de Heilige Profeet (s) was aangekomen, begonnen zij in hun handen te klappen. Zij deden dit uit vreugde en om Abu Bakr (rh) duidelijk te maken dat de Heilige Profeet ( s) gearriveerd was. Abu Bakr (rh) stapte terug en maakte daarmee plaats voor de Heilige Profeet (s). Toen het gebed afgelopen was wendde de Heilige Profeet (s) zich tot Abu Bakr (rh) en vroeg hem:

“ Waarom stapte u terug nadat ik u de opdracht had gegeven om het gebed te leiden? “ Abu Bakr (rh) antwoordde: “ O, Boodschapper van Allah! Hoe zou het de zoon van Abu Quhafa passen het gebed te leiden in de aanwezigheid van de Boodschapper van Allah? “ Vervolgens wendde de Heilige Profeet (s) zich tot de anderen en vroeg hen: “ Waarom klapte u in uw handen? Het is niet gepast dat u tijdens het gedenken van God in uw handen klapt. Wanneer het zou voorkomen dat gedurende het gebed ergens de aandacht op moet gevestigd worden, dan moet u de naam van God luid uitspreken in plaats van in uw handen te klappen. Dit zal de aandacht vestigen op het geen wat de aandacht verdient”.

De Heilige Profeet (s) keurde het ook niet goed dat het gebed of de aanbidding werd verricht als een straf of een last. Het gebeurde een keer dat hij thuis kwam en bemerkte dat een touw tussen twee pilaren hing. Hij vroeg waar het touw voor diende. Hem werd uitgelegd dat zijn vrouw Zainab (rh) het touw gebruikte ter ondersteuning tijdens het gebed wanneer zij moe was. Hij gaf de opdracht om het touw weg te halen. Hij legde uit dat de gebeden slechts moesten verricht worden zolang men zich op zijn gemak voelde en blij was, en als men moe werd dan moest men gaan zitten. De gebeden zijn geen last en als men ermee doorgaat nadat het lichaam moe is geworden dan schieten zij hun doel voorbij. 

De afgoddienaren van Mekka hadden allerlei verzoeken aan de profeet (s) om hem van mening te doen veranderen betreffende de afgoden. Ook zijn oom Abu Talib probeerde het. Hij bracht zijn zorgen (vrees) tot uitdrukking dat als Mohammed (s) bleef volharden in zijn verwerping van de afgodendienst, dan zou Abu Talib moeten kiezen tussen het hem onthouden van bescherming of de bittere tegenstand van zijn volk. Het antwoord van de Heilige Profeet (s) was:

“Als deze mensen de zon in mijn rechterhand zouden plaatsen en de maan in mijn linkerhand, zou ik niet ophouden met het verkondigen en het prediken van de Eenheid van God”.

Tijdens de slag van Uhud toen een groep gewonde Moslims zich aan de voet van een heuvel rond de profeet (s) geschaard hadden. En hun vijanden van blijheid uiting gaven aan hun gevoelens, omdat zij de Moslims gelederen hadden gebroken, en hun leider Abu Sufyan riep:

“Hubal zij verheven! Hubal zij verheven! “,

kon de Heilige Profeet (s), ondanks het feit dat hij zich ervan bewust was dat zijn eigen veiligheid en die van de kleine groep Moslims, was gelegen in het stil zijn, zich niet langer in bedwang houden en beval zijn Metgezellen als antwoord uit te roepen:

“Aan Allah alleen behoort de overwinning en de glorie! Aan Allah alleen behoort de overwinning en glorie! De Heilige Profeet (s) bezat volmaakte vertrouwen in God dat geen enkele tegenslag hem kon doen wankelen.

Een vijand van de profeet (s) trof hem een keer in slaap zonder bewaking. Zijn vijand boog over het hoofd van de Heilige profeet (s) met een getrokken zwaard, en dreigde hem te doden. Hij vroeg aan de Profeet (s):

“Wie kan u uit deze hachelijke situatie redden?” De Heilige Profeet (s) antwoordde kalm: “Allah”.

De Profeet (s)sprak dit woord met volmaakt vertrouwen dat het hart van zijn vijand gedwongen was om de Verhevenheid van zijn geloof en vertrouwen in Allah te erkennen. Het zwaard viel uit zijn handen, en hij die een ogenblik eerder de vernietiging van de Heilige Profeet (s) beoogde, stond nu voor de Profeet (s) als een veroordeelde misdadiger die op zijn straf wachtte.

Aan het andere eind van de balans was zijn gevoel voor volmaakte nederigheid ten opzichte van God.

Abu Huraira (ra) verhaalt het volgende:

“Ik hoorde de Heilige Profeet (s) zeggen dat niemand redding zou verkrijgen door zijn eigen goede daden. Daarop zei ik: “ O Boodschapper van Allah! U zult waarschijnlijk het Paradijs binnengaan door uw eigen goede daden”. De Heilige Profeet (s) antwoordde hierop: “ Neen, ook ik kan het Paradijs niet binnengaan door mijn eigen goeden daden, alleen als Gods Genade en Barmhartigheid mij zouden omvatten”.

Hij spoorde de mensen steeds aan om het rechte pad te kiezen, en ijverig te zijn in hun zoeken naar middelen om in de nabijheid van God te komen. Mohammed (s) leerde dat niemand zichzelf de dood moest wensen, want als men goed is kan men door langer te leven een groter goed bereiken. Wanneer men bedorven is, dan heeft men tijd om berouw te tonen, en dan kan men het rechte pad kan gaan bewandelen.

Zijn liefde en toewijding tot God vonden op vele wijzen hun uiting. Bijvoorbeeld na een droog seizoen wanneer de eerste regendruppels begonnen te vallen stak hij zijn tong uit om een regendruppel op te vangen, terwijl hij dan uitriep:

“ Hier is de laatste gunst van mijn Heer ”.

Hij was voortdurend bezig met het bidden voor Gods vergevensgezindheid en weldadigheid. In het bijzonder als hij temidden van mensen was, opdat zij die in zijn gezelschap waren of met hem verbonden waren en Moslims in het bijzonder, gespaard zouden blijven voor de goddelijke toorn, en de goddelijke vergevensgezindheid deelachtig zouden worden. Het bewustzijn dat hij zich steeds in de aanwezigheid van God bevond liet hem nooit in de steek. Als hij ging slapen zei hij:

“ O Allah, laat mij slapen met Uw naam op mijn lippen, en laat mij opstaan met Uw naam op mijn lippen “.

Als hij ontwaakte zei hij:

“Alle lof zij aan God die mij tot leven heeft gewekt na de dood (slaap) en eens zullen wij allen tot Hem verzameld worden “.

Hij zocht voortdurend de nabijheid van God. Een van zijn vaak herhaalde gebeden was:

“ O Allah! Vul mijn hart met Uw licht en vul mijn ogen met Uw licht en vul mijn oren met Uw licht en plaats Uw licht aan mijn rechterzijde en plaats Uw licht aan mijn linkerzijde en plaats Uw licht boven mij en plaats Uw licht benden mij en plaats Uw licht voor mij en plaats Uw licht achter mij en zet mij gehele wezen om in licht “.

Wanneer de Heilige Profeet (s) naar God verwees of over God sprak, leek het voor de toeschouwers alsof zijn gehele wezen zich in de greep van hartstocht, liefde, en toewijding tot God bevond. De Heilige Profeet (s) stond altijd op eenvoud tijdens de aanbidding van God. De moskee die hij in Medina had gebouwd, en waarin hij altijd de gebeden leidde, had slechts een lemen vloer die volkomen onbedekt en zonder matten was en het dak dat uit gedroogde palmtakken en bladeren bestond, lekte als het regende. Het gebeurde bij gelegenheden dat de Heilige Profeet (s) en de leden van de bijeenkomst doordrenkt werden door regen en modder, maar hij ging altijd met de gebeden door tot het eind. Bij geen enkele gelegenheid gaf hij enige aanwijzing dat hij de dienst zou uitstellen of verplaatsen naar een betere beschutte plaats. Hij was ook zeer waakzaam ten aanzien van zijn metgezellen. ‘Abdullah bin ‘Umar (ra) was een uiterst vrome man die een zeer reine en zuiver leven leidde. De Heilige Profeet (s) zei eens met betrekking tot hem:

“ Abdullah bin ‘Umar (ra)zou zelfs een nog beter mens zijn als hij stipter was ten aanzien van de Tahajjud gebeden”.

Nadat dit ‘Abdullah bin ‘Umar (ra) was verteld miste hij deze gebeden nooit meer.

Moge de liefde van de Heilige Profeet (s) tot God onze liefde tot God tot voorbeeld strekken.

Dat is alles dat het het wenselijk is om het goede in deze vorm kamagra bijwerkingen weten is is in een compleet andere vorm kamagra 100mg dit is wat we ook gedenken.