Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

Nederland

Zijn vrouwen inferieur aan mannen in de Islam?

Een metgezel van de Heilige Profeet Mohammed s.a. vroeg hem eens “Wie komt mijnerzijds het meest in aanmerking voor een vriendelijke behandeling en een goed gezelschap?” De Profeet antwoordde: “Uw moeder”. De metgezel vroeg daarop “En na haar?” De Profeet antwoordde: “Uw moeder”. De metgezel stelde toen voor de derde maal dezelfde vraag, waarop de Profeet hetzelfde antwoord gaf. Toen de metgezel dezelfde vraag nog eens stelde, zei de Profeet: “Uw vader en dan andere verwanten”. (Bukhari)

Dit gezegde alleen weerlegt de misvatting dat vrouwen inferieur zijn aan mannen in de Islam, en het demonstreert in het bijzonder hoeveel belang Islam hecht aan respect voor de moeder.

Volgens de Islam zijn alle gelovigen gelijk, en alleen het verrichten van oprechte daden verheft iemand boven een ander. De Islam erkent echter ook dat een dergelijke gelijkheid niet betekent dat mannen en vrouwen gelijk zijn waar het vermogens en rollen betreft. Hij houdt rekening met hun verschillende fysieke en emotionele kracht en bakent met het oog hierop hun verschillende rollen in het leven af. Deze rollen zijn daarom niet een weerspiegeling van superioriteit of minderwaardigheid, maar een zaak van natuurlijke vermogens en een goed functioneren. Zo hebben mannen de taak toegewezen gekregen om te werken en voorzieningen te treffen voor het gezin, terwijl aan vrouwen de rol is toebedeeld van het moederschap en de zorg voor de huishouding. De Islam geeft beiden dezelfde belangrijkheid en benadrukt ook dat de rollen niet exclusief zijn en niet star mogen worden geïnterpreteerd. Zo verbiedt de Islam vrouwen niet om te werken of dienstbaar te zijn aan de samenleving, en ook ontheft hij mannen niet van hun aandeel in de verantwoordelijkheid voor hun kinderen en het huishouden.

In Islam heeft de vrouw individueel recht op bezit. Als zij is gehuwd en verkiest om te werken, dan is het geld dat zij verdient voor haar, en de echtgenoot heeft hierop geen recht. De echtgenoot moet echter het gehele gezin financieel ondersteunen. Ieder bezit dat een vrouw verkrijgt door haar eigen inspanning, of erft, of als legaat of gift ontvangt, behoort haar toe, onafhankelijk van haar echtgenoot. De Islam heeft vrouwen erfrecht geschonken en zij ontvangen daarom het hun verschuldigde aandeel zoals voorgeschreven door de Shariah (Islamitisch recht). Deze economische onafhankelijkheid van vrouwen werd door de Islam gevestigd ruim voordat gelijke rechten werden toegekend aan vrouwen in de moderne wereld. Deze rechten voor vrouwen, zoals stemrecht, erfrecht, recht op studie werden in Europa pas veel later toegekend. Zo werd in Engeland in 1882 de eerste Married Women’s Property Act door het parlement aangenomen.

De Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) verhief de intellectuele en geestelijke status van vrouwen. De Heilige Profeet s.a. erkende de essentiële rol die vrouwen moesten spelen in de opbouw van de samenleving. Hij legde daarom grote nadruk op het opvoeden van meisjes, door te zeggen: “Een man die twee dochters heeft en hen naar zijn beste vermogen opvoedt en hen doet huwen, zal recht hebben op het paradijs.” Iemand vroeg (toen hij dit hoorde): “O Profeet van Allah, wat als hij één (dochter) heeft?” Hij antwoordde: “En (zelfs als hij) één (dochter) heeft.” (Al Mo’jam Al-Ausat) 


Wat is de Islamitische Jihad?

Jihad is een Arabisch woord dat betekent: streven naar een bijzonder doel. Als in de Heilige Qor’an Allah (God) de mensen oproept tot de Jihad betekent dit het zich inspannen voor een nobele zaak. Deze Jihad kan worden verricht op vele manieren, welke alle beogen vrede in de samenleving te bevorderen.

De strijd voor zelfverbetering: Deze wordt beschouwd als de grootste Jihad omdat dit de strijd is tegen onze zelfzuchtige verzoekingen, zoals hebzucht, wellust en wereldse verlangens. Deze strijd eist meer zelfdiscipline van ons, zodat wij een morele controle over onze gedachten en daden kunnen hebben.

De plicht van de moslims om de ware boodschap van de Islam over te brengen aan anderen: De Heilige Qor’an benadrukt dat deze vorm van Jihad moet worden verricht met wijsheid, tolerantie en respect voor anderen en hun geloof, terwijl hierbij het gebruik van dwang of geweld is verboden.

Het besteden van de rijkdom die men bezit om behoeftigen te helpen: Het helpen van hen die in nood verkeren, ongeacht hun kleur, geloof of ras, is een vorm van Jihad die niet alleen helpt om het lijden van de mensheid te verlichten, maar die ook sociale vrede en harmonie vestigt tussen de rijken en armen.

De defensieve strijd: De Heilige Qor’an heeft duidelijk gemaakt dat deze vorm van Jihad (welke een Jihad is van de lagere orde) alleen kan plaatshebben onder bepaalde omstandigheden. Deze omstandigheden worden beschreven in de volgende verzen van de Heilige Qor’an:

Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen tegen wie wordt gevochten, omdat hun onrecht is aangedaan, en voorzeker heeft Allah de macht hen bij te staan - degenen die ten onrechte uit hun huizen werden verdreven, alleen omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allah”. En indien Allah sommige mensen niet door middel van anderen tegenhield, zouden zeker kloosters, kerken, synagogen, en moskeeën waarin dikwijls de naam van Allah wordt herdacht, zijn afgebroken. (22:40-41)

Hieruit is duidelijk dat moslims alleen de wapens kunnen opnemen ter zelfverdediging als zij het slachtoffer zijn van onderdrukking, als hun situatie levenbedreigend is en als zij uit hun huizen zijn verdreven simpelweg voor het beoefenen van hun godsdienst.

In feite moeten moslims als zij worden vervolgd voor het beoefenen van hun geloof, eerst de plaats waar zij worden onderdrukt, verlaten en een nieuwe verblijfplaats zoeken.

Als zelfs in hun nieuwe verblijfplaats de onderdrukker hun levens blijft bedreigen en voortgaat hen aan te vallen met de bedoeling hen ervan te weerhouden hun godsdienst te beoefenen, dan is aan de moslims het recht gegeven om ter zelfverdediging de wapens op te nemen.

Het is belangrijk op te merken dat deze strijd alleen defensief mag zijn en niet offensief. Dit wordt in de Heilige Qor’an als volgt bevestigd:

En strijd voor de zaak van Allah tegen degenen die tegen u strijden, maar overschrijd de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief. (2:191.)

Als de noodzaak tot een defensieve strijd optreedt, dan verschaft de Islam de moslims duidelijke instructies betreffende hetgeen wel en hetgeen niet moet worden gedaan, bijv. burgers die niet tegen moslims strijden, moeten niet worden aangevallen, bezittingen zoals gewassen of andere bronnen van voedsel en water, ziekenhuizen, weeshuizen, plaatsen van aanbidding (van alle religies) moeten niet worden verwoest, en vrouwen, kinderen, oude mensen en invaliden moeten met rust worden gelaten. Het is daarom heel duidelijk dat het doel van een dergelijke strijd het herstellen van vrede is en niet het bevorderen van agressie.

Jihad in al zijn vormen is daarom een middel om vrede in zowel onszelf, als in onze samenleving te bevorderen. Iedere actie die niet de vrede bevordert, kan daarom niet als Jihad worden bestempeld.

Wat is het standpunt van de Islam met betrekking tot terrorisme?

De Islam bestrijdt terrorisme in al zijn vormen, omdat het woord ‘Islam’ letterlijk vrede betekent. De verplichting voor de moslims om vrede te handhaven is zo diep geworteld in de Islam dat de Heilige Qor’an ware moslims als volgt beschrijft:

En de dienaren van de Barmhartige zijn zij die met nederigheid op aarde wandelen, en als de onwetenden hen aanspreken, zeggen zij: “Vrede!” (25:64)

De vierde khalifa (kalief) van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, Hadhrat Mirza Tahir Ahmad, heeft in duidelijke bewoordingen het standpunt van de Islam uiteengezet. Hij zei: “Islam verwerpt en veroordeelt iedere vorm van terrorisme ten stelligste. Hij verschaft geen dekmantel of rechtvaardiging voor welke daad van geweld dan ook, of deze wordt begaan door een individu, een groep of een regering.... Ik veroordeel krachtig alle daden en vormen van terrorisme, omdat het mijn diep geworteld geloof is dat niet alleen de Islam, maar geen enkele ware godsdienst, wat ook zijn naam is, geweld en het vergieten van bloed van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in de naam van God kan goedkeuren.”

Wat is het standpunt van de Islam met betrekking tot gehoorzaamheid aan de wetten van het land?

In de Islam is gehoorzaamheid aan de wetten van het land een godsdienstige plicht. De Heilige Qor’an beveelt moslims om niet alleen aan Allah en de Heilige Profeet Mohammed s.a. trouw te zijn, maar ook aan het gezag waaronder zij leven. Hij verklaart:

O u die gelooft, gehoorzaam Allah en gehoorzaam Zijn Boodschapper en degenen die over u gezag hebben. (4:60).

Deze plicht is verder uiteengezet door Hadhrat Mirza Masroor Ahmad, het huidige hoofd van de over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, die zei:

“Een ware Moslim kan nooit in haat zijn stem verheffen tegen zijn medeburgers, noch tegen het heersende gezag of de regering. Het is de verantwoordelijkheid van een ware moslim dat hij loyaal moet blijven en zich ten volle moet houden aan de wetten van het land waarvan hij een onderdaan is.” (Toespraak bij de opening van de Baitul Futuh moskee in Morden, Surrey, in oktober 2003)

NB Nummering Koranverzen: De Ahmadiyya Moslim Gemeenschap beschouwt de "tasmiyah" ("In Naam van Allah...") als onderdeel van de Surah. De tasmiyah is daarom ook meegeteld in de nummering van de Surah. In sommige andere Korans is dit niet het geval. Hierdoor kan een vers dat hier wordt geciteerd als 10:100, in andere Korans genummerd zijn als 10:99, vers 2:257 in andere Korans als 2:256, etcetera. De tekst van alle Korans is echter dezelfde.


Wat is de straf voor afvalligheid in de Islam?

Er is geen straf voor afvalligheid in de Islam. Bovendien is er geen enkel voorbeeld van enige straf voor afvalligheid die werd toegekend door de Heilige Profeet Mohammed s.a.

De Islam benadrukt vrijheid van godsdienst voor allen en laat het aan de mensen over de godsdienst van hun keuze te volgen. Hierover verklaart de Heilige Qor’an:

Er is geen dwang in de godsdienst. (2:257)

Voor u uw godsdienst, en voor mij mijn godsdienst. (109:7)

Vrijheid van godsdienst vormt daarom een grondbeginsel in de Islam, en dit maakt duidelijk dat godsdienst een persoonlijke aangelegenheid is tussen de mens en God. Mensen zijn vrij te geloven in welke godsdienst dan ook zonder enige bestraffing door de mens (Heilige Qor’an 4:138). De Islam herinnert ons er wel aan dat wij voor God verantwoordelijk zullen worden gehouden voor ons geloof en onze daden.

Wat is de straf voor godslastering in de Islam?

Er is geen straf in de Islam voor godslastering. Zo’n straf wordt niet voorgeschreven in de Heilige Qor’an en niet in de overleveringen van de Profeet Mohammed s.a.

De Islam bevordert respect voor alle godsdiensten voor de zaak van vrede in de samenleving, en legt geen enkele straf op voor godslastering, ondanks het feit dat dit voor gelovigen aanstootgevend kan zijn.

Mogen niet-moslims een moskee binnengaan?

Het is iedereen toegestaan een moskee te betreden zolang men schoon is en fatsoenlijk gekleed. Men moet vóór het binnengaan van de gebedsruimte de schoenen uittrekken opdat de moskee schoon blijft. Tijdens de gebeden namelijk buigen zij die bidden zich ter aarde. Mensen van ieder geloof mogen ook in een moskee bidden zolang zij geen afgoden aanbidden. Een goed voorbeeld hiervan is de toestemming die de Profeet Mohammed s.a. gaf aan een groep christenen om hun gebedsdienst te houden in zijn moskee in Medina (Zurqani).

De Ahmadiyya Moslim Gemeenschap Nederland heeft in 1955 de eerste moskee van Nederland, de Mobarak Moskee in Den Haag, gebouwd. (zie foto). Als u een moskee wilt bezoeken of u wilt informatie over de Islam dan kunt u met ons contact opnemen.

Wat geloven moslims met betrekking tot vroegere profeten en geschriften?

Twee van de zes geloofsartikelen van de moslims zijn het geloof in de Profeten van God en het geloof in de goddelijke geschriften. Daarom geloven moslims dat alle profeten door God zijn gezonden en dat de geschriften in hun oorspronkelijke vorm goddelijke openbaringen waren die naast andere zaken de absolute eenheid van God onderwezen.

Volgens de Heilige Qor’an heeft God Zijn Boodschappers gezonden naar iedere natie.

Hij verklaart:

Er is geen volk tot welk geen boodschapper is gezonden. (35:25))

En voor ieder volk is er een boodschapper. (10:48)

Sommige profeten worden in de Heilige Qor’an zelf genoemd, zoals Adam, Abraham, David, Salomo, Mozes, Jezus en Mohammed (vrede zijn met hen allen). Andere profeten (die niet met naam in de Heilige Qor’an zijn genoemd) zijn Zoroaster, Krishna en Confucius (vrede zij met hen allen), om slechts enkele te noemen.

Zoals eerder genoemd geloven moslims niet alleen in alle vroegere profeten, maar ook in de openbaringen en de geschriften die aan deze profeten door God werden gegeven. In de Heilige Qor’an zelf worden vier geopenbaarde boeken buiten de Heilige Qor’an, genoemd. Deze zijn:

Suhuf

(Geschriften van Abraham, vrede zij met hem, 87:20)

Van de Suhuf van Abraham is thans niets bekend. Deze teksten zijn waarschijnlijk nooit op schrift gesteld.

Tauraat

(Torah van Mozes, vrede zij met hem, 3:4)

De Tauraat omvat de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel en bevat de volledige wet voor de Israëlieten. Deze vijf boeken zijn: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Samen zijn deze vijf boeken bekend als de Pentateuch. De Torah werd door de generaties heen mondeling overgeleverd en werd tenslotte op schrift vastgelegd enkele honderden jaren na Mozes (vrede zij met hem).

Zabur

(Psalmen van David, vrede zij met hem, 4:64)

Tegenwoordig is erg weinig bekend van de Zabur, of de openbaringen van de Profeet David (vrede zij met hem). In de Hebreeuwse Bijbel zijn vele psalmen (heilige gezangen of hymnen) die aan David (vrede zij met hem) worden toegeschreven en welke deel kunnen uitmaken van de Zabur.

Indjiel

(Het Evangelie van Jezus Christus, vrede zij met hem, 5:47)

De Indjiel of het Evangelie werd geopenbaard aan de Profeet Jezus (vrede zij met hem), maar werd niet tijdens zijn leven opgetekend. Na zijn dood werden pogingen gedaan om zijn leer op schrift vast te leggen. Uit de vele van dergelijke verslagen werden er vier door de vroege Kerk als officiële verslagen van de leer van Jezus (vrede zij met hem) geselecteerd. Deze vier versies van het Evangelie zijn tegenwoordig bekend als de Evangeliën van Mattheus, Lukas, Markus en Johannes. Er zijn echter andere Evangeliën (die niet in de Bijbel zijn opgenomen) die ook belangrijke informatie bevatten over het leven en de leer van Jezus (vrede zij met hem).

Met uitzondering van de Heilige Qor’an hebben geen van de geopenbaarde boeken hun oorspronkelijke vorm behouden.


Waarom is Imam Mahdi nodig?

Het enige doel is de verjonging van de Islam.

Luister er van harte naar wat het werkelijke doel is van mijn opdracht. Het enige doel van mijn komst is slechts de verjonging en de herleving van de Islam. Hieruit moet niet worden begrepen dat ik een nieuwe wet zou onderwijzen of nieuwe geboden zou uitvaardigen, of dat een nieuw boek zou worden geopenbaard. Neen, dit zal nooit gebeuren! Hij die zo denkt is niet godsdien­stig en heeft het volkomen mis. Er zal geen nieuwe wet worden geopenbaard. De Heilige Koran is het laatste boek. Er is geen ruimte voor de verandering van zelfs een jota of een punt.

Het is natuurlijk ook juist dat noch de genade en de zegeningen van de Heilige profeet (s) tot een einde zijn gekomen, noch de vruchten van de leer en de leiding van de Heilige Koran zijn beëindigd. Deze zijn altijd in iedere tijd beschik­baar, prachtig en fris. Allah heeft mij doen opstaan als een bewijs van hun genade en zegeningen. De huidige toestand van verval van de Islam is geen geheim. Unaniem wordt toegegeven dat de Moslims het doel zijn van iedere zwakheid en ten onder­gang lijken te zijn gedoemd. Zij vallen aan alle kanten. Als hun tong met hen is, heeft hun hart hen verlaten. 

Islam is als een wees. Allah heeft mij in deze toestand gezonden opdat ik de Islam moet steunen en beschermen. Ik ben overeenkom­stig zijn belofte gezonden. Dit is zo omdat Hij heeft gezegd:

"Waarlijk, Wij hebben deze Vermaning nedergezonden en voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn". (Koran 15:10)

Als hulp en steun niet op dit tijdstip komt, wanneer zal deze dan komen? In deze 14e eeuw is de toestand precies zoals deze was ten tijde van de slag bij Badr, ten aanzien waarvan Allah heeft gezegd: 

"En Allah had u reeds bij Badr geholpen, terwijl gij machteloos waart. Neem Allah dus als uw Beschermer, opdat gij dankbaar zult zijn". (Koran 3:124)

Vandaag in de 14e eeuw is de toestand dezelfde zoals deze was ten tijde van de slag bij Badr, waarover Allah zegt: 

" En Allah had u reeds bij Badr geholpen, terwijl gij machteloos waart ". 

Dit vers bevat feite­lijk een profetie, nl. dat als de Islam in de 14e eeuw niet stevig, maar zwak zal zijn, Allah dan de Islam overeenkomstig Zijn belofte zal helpen. Waarom verbaast u zich er dan over als Hij de Islam te hulp komt. Het spijt mij niet dat ik "Kazzaab en dadjaal" wordt genoemd en dat ik word beschuldigd. Dit moest zo zijn opdat ik dezelfde behandeling zou ontvangen als de vroegere boodschap­pers, zodat ik ook de gewoonten van het verleden zou deelachtig zijn.(Malfuzat vol.8, Ruhani Khazain no.2, blz. 244-246).

 

 

 


Wat betekent Khatam al-Nabiyyin?

De betekenis van Khatam al-Nabiyyin

Er wordt over het algemeen geloofd dat de Heilige Koran het opheffen van profeten van allerlei soort leert. Er bestaat een vers dat de Heilige Profeet (vzmh) beschrijft als Khatam al-Nabiyyin. Laten we dit vers waarin zich deze be­schrijving bevindt bekijken.

"Mohammad is niet de vader van een uwer mannen, maar de boodschapper van Allah en het zegel der Profeten."(Koran 33:41).

Maar wat is de betekenis van Khatam al-Nabiyyin? Laten we eraan denken dat in de Heilige Tekst het woord waar het op aankomt Khatam is en niet Khatim. Khatim betekent de laatste, maar Khatam betekent zegel. Mohammad (vzmh) is volgens de Heilige Koran het Zegel van alle profeten. Het is dan ook niet verwon­derlijk dat de grote geleerden van onze godsdienst, waaronder Imam Bukhari aan deze goddelijke titel Khatam al-Nabiyyin dan ook de betekenis van Het Zegel der Profeten hebben gegeven.

Mensen denken niet na over de woorden van het Heilige Boek. Het is daarom niet verwonderlijk dat zij daardoor aan de ware betekenis voorbijgaan. Het is van belang om ook het algemene verband waarin dit vers geplaatst is, in het oog te houden en om bij de bestudering ervan eerst het algemene verband, daarna het vers en vervolgens de betekenis van de aparte woorden te bestuderen. Volgens de inhoud van het voorgaande heeft Moham­mad (vzmh) geen zoon, geen lichamelijke zoon om zo te zeg­gen. Daarna volgt het: het is waar, Mohammad (vzmh) heeft geen echte zoon, maar men moet niet vergeten dat hij een bood­schapper en profeet is. En niet alleen profeet, maar het Zegel van alle Profeten. Dat wat in het tweede gedeelte van het voor­gaande wordt bevestigd is een vergoelijking op het voor­gaan­de. Het eerste gedeelte geeft iets toe, het tweede gedeel­te bevestigt iets ter vergoelijking.

In een ander bekend vers zegt de Heilige Koran waarin de Heilige Profeet (vzmh) wordt aangesproken:

"Voorzeker, uw vijand zal uitsterven." (Koran 108:4).

Het vers 33:41 beschrijft de Heilige Profeet (vzmh) als iemand zonder mannelijke nakomelingen. Hoe moet deze tegen­spraak teniet worden gedaan? Het is opgelost door het tweede gedeelte van vers 33:41 dat in werkelijkheid bedoelt te zeg­gen:

Voorzeker, de Heilige Profeet heeft geen lichame­lijke zoon, maar dat is ten volle vergoed door het feit dat hij een boodschapper van God is en het Zegel der Profeten.

Als men de boodschapper van God is dan is men de geestelijke vader van geestelijke zonen. Door het Zegel van de boodschap­pers te zijn, is men veel meer. Het betekent de geestelijke vader van alle goddelijke boodschappers. De Heilige Profeet (vzmh) is dan niet alleen de stamvader van gelovi­gen, maar ook die van profeten. Daarom bewijst deze tekst van het Heilige Boek, die over het algemeen aangehaald wordt om het einde van de komst van profeten te bewijzen, eerder continuï­teit hiervan binnen de Islam. Profeten kunnen komen, maar alleen binnen de traditie van de Islam. Zij kunnen niet met een nieuwe wet komen en ook niet met het doel om zelfs een deel van de Isla­mitische wet af te schaffen. Zij kunnen ook niet tot de status van een profeet rijzen zonder zichzelf als volgeling en toege­wijde van de Heilige Profeet (vzmh) bekend te ma­ken. De uitdrukking Khatam al-Nabiyyin sluit daarom de komst van profeten niet uit. In plaats hiervan bevestigt het hun komst, het verheffen van profeten onder de volgelingen van de Heilige Profeet (vzmh).

De Hadith: "Ik ben de laatste der Profeten"

Het is ook gebruikelijk om toevlucht te nemen tot zekere over­leveringen (Hadith) die zo op het eerste gezicht de komst van profeten na de Heilige Profeet (vzmh) uitsluiten. Een traditie zegt bijvoorbeeld:

"Ik ben de laatste van de profeten" en een ander zegt: "Er is geen profeet na mij."

Wat betreft de eerste van deze overleveringen moeten we wel in gedachte houden dat de woorden "Ik ben de laatste der profe­ten" worden gevolgd door de woorden "en mijn moskee is de laatste van de moskeeën." Het woord "de laatste" moet niet al te letterlijk worden genomen. De moskee die de Heilige Profeet (vzmh) in Medina heeft gebouwd kon niet letterlijk de laatste moskee zijn. Het kon wel de laatste in figuurlijke zin zijn; in de betekenis dat moskeeën die hierna gebouwd zouden worden een afspiegeling van deze zouden zijn. De moskee van de Profeet werd niet gebouwd om het einde van alle moskeeën aan te kondi­gen. Hij moet een blijvend voorbeeld en symbool zijn. In deze betekenis - deze belangrijke betekenis - is de moskee van de Profeet de laatste. Het is ook in deze betekenis - deze be­langrijke betekenis - dat de Heilige Profeet (vzmh) de laatste pro­feet, voorbeeld, stamvader, leraar en voorganger van nog komende profeten is. Moskeeën die volgens het model van de moskee van de Heilige Profeet (­vzmh) in Medina zijn ge­bouwd moeten overeenkomen met het soort aanbidding waarvoor de Heilige Profeet (vzmh) de eerste moskee bouwde. Op een soortgelijke manier moeten de profeten die na de Heilige Profeet (vzmh) komen de Islam dienen om niet in tegen­spraak te zijn met de leerstellingen en het voorbeeld van de Heilige Profeet (vzmh).

De Hadith, "Er is geen profeet na mij"

Laten we nu eens de overlevering beschouwen die zegt: "Er is geen profeet na mij." Ook deze overlevering kan niet let­ter­lijk worden opgevat. Het belangrijkste woord is hier "na". In letterlijke zin komt het ene ding na het andere als het eerste ding afgelopen of voorbij is, zodat het tweede de plaats kan innemen van het eerste. Een profeet wiens doel is de bood­schap van de Heilige Profeet (vzmh), zijn leerstel­lingen, zijn unieke voorbeeld en alles wat hij voorstond en nog voor­staat, te bevorderen, kan niet beschouwd worden als iemand die na de Heilige Profeet (vzmh) komt Hij is en blijft een onderdeel van de traditie die door de Heilige Profeet werd begonnen.

De woorden "geen profeet na mij" moeten om niet verkeerd ver­staan te worden niet als op zichzelf staand worden beschouwd. De vrouw van de Heilige Profeet (vzmh) Hazrat Aisha, zag dit gevaar in. Zij waarschuwde daarom:

"Zeker, zeg dat de Heilige Profeet het Zegel der Profeten is, maar zeg niet dat er geen profeet na hem komt." (Takmala Majma-ul-Bahar, blz 15).

De waarschuwing kwam overeen met de Heilige Koran. Geen van de metgezellen sprak Hazrat Aisha ooit tegen. Zij namen het allen zonder vragen aan; een waarschuwing die op tijd gegeven werd en zeer nodig was. Zij begrepen wat Hazrat Aisha had gezegd. Zij geloofden wat zij geloofde.


 

Gedeelten uit de Heilige Koran over de komst van profeten

Leren deze verzen ons beslist dat profeten kunnen komen? Dat doen ze zeker. Een volmaakt boek als de Heilige Koran kan dit onderwerp niet halfslachtig behandelen.

Hiervoor moeten wij de verzen van Al-Fatiha zelf bekijken; het korte hoofdstuk dat ongeveer 50 keer per dag door elke praktiserende Moslim wordt gereciteerd. "Leidt ons op het rechte pad," zegt het gebed, "het pad van hen die beloond zijn."

Denk goed na over de woorden: het pad dergenen, aan wie U gunsten hebt geschonken.(Koran 1:7)

De uitdrukking gunsten (beloond) zijn heeft verdere uit­leg nodig. Gelukkig kan de betekenis ervan in de Heilige Koran zelf gevonden worden. Zie hoofdstuk 4 verzen 70 en 71, daarin wordt ons verteld dat zij die God en de Profeet (vzmh) gehoorzamen degenen zijn die door God beloond worden, te weten, de profeten, de heiligen, de martelaren en de rechtvaardigen.

Er zijn hier duidelijk vier categorieën van mensen genoemd die beloond worden, en onder hen zijn de nabiyyin - de profeten. Er is geen twijfel aan dat de gehoorzame Moslims, die gehoor­zaam zijn aan God en de Profeet (vzmh), profeten kunnen worden. Ze mogen verwachten dit te bereiken en tevens nog andere belo­ningen die door God beloofd zijn. Er is hier geen ruimte gela­ten voor het zoeken van uitvluchten. Toch willen sommige mensen moei­lijkheden maken over het Arabische woord ma'a (letter­lijk "met") dat in dit vers wordt gebruikt. Zelfs ge­hoorzame Moslims mogen niet verwachten ooit profeet te worden, enz. Zij mogen alleen verwachten met hen te zijn, in hun gezel­schap te verkeren, als het ware alleen maar toeschou­wers te zijn.

Wordt er dan vergeten dat ma'a (met) ook de andere soorten van beloning beheerst; wat zou betekenen dat niet alleen de profe­ten, maar ook de heiligen, de martelaren en de rechtschapenen uitgesloten zouden zijn van die soorten van beloning. Wat ver­wacht de Moslimgemeenschap voor hen? Klaarblijkelijk niets! Maar nee, het idioom van de Heilige Koran moet niet verkeerd worden uitgelegd. Ma'a betekent even vaak "van" als "met". Lees de verzen 146,147 van hoofdstuk 4 niet zo ver van hoofdstuk 4 vers 70 en71.

De huiche­laars zullen zeker in de diepste diepten van het vuur zijn en gij zult voor hen geen helper vinden; behalve degenen, die berouw hebben en zich verbeteren en aan Allah vasthou­den en hun gehoorzaamheid aan Hem zuiver houden. Deze (hier is het beslissend gebruik van ma'a) behoren tot de gelovigen (om te zeggen dat ze "met" de gelo­vi­gen behoren is onzin).                                                                                                                    

Er is een vers, namelijk hoofdstuk 7 vers 36 dat beslist de deur van één soort pro­feten openlaat.

"O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren."

De passage is duidelijk en op de man af. Zij zegt: “Wanneer en als er profeten tot u komen, O, kinderen van Adam.” Het laat de deur open voor nog te komen profeten. Alleen kunnen ze niet de Wet van de Islam terzijde schuiven en zij moeten zich bevinden onder de volgelingen van de Heilige Profeet (vzmh).

Een laatste punt: In de Moslimoverleveringen die over de tweede komst van de Messias spreken wordt de Messias beschre­ven als zijnde een profeet van God (Nabi Allah). Hoe kon de Heilige Profeet (vzmh) de Beloofde beschrijven als profeet als er geen profeten na hem zouden komen.