Derde millenium

In dit derde millennium van onze tijdrekening belijdt, zoals ons wordt verteld, meer dan de helft van de wereldbevolking, die zo’n zes miljard mensen bedraagt, de een of andere godsdienst. Toch schijnt godsdienst te zijn verdwenen uit de dagelijkse gang van zaken en lijkt in dit hoofdstuk van het menselijke leven een bij­komstigheid te zijn geworden. Niet dat er in de wereld geen godsdienstige activiteit is – want we horen veel over acties die plaatsvinden in de naam van de gods­dienst – maar eerder dat de kern ervan is weggenomen, waardoor er een leeg, levenloos omhulsel overblijft dat door sommigen wordt uitgebuit. Wat we daarom van godsdienst waarnemen is op een zo smakeloze manier gemangeld tussen politieke aspiraties van ideologische demagogen en de ego’s van individuen, dat het residu hiervan een complete aanfluiting is van de nobele idealen die godsdiensten eens op deze aarde hebben gevestigd. Godsdienst is een werktuig voor zelfbevordering geworden in plaats van een werktuig voor innerlijke vooruitgang.

Dit wordt ook weerspiegeld in het menselijke gedrag, want menselijke gedrag verraadt gemakkelijk iedere oppervlakkige aanspraak op vroomheid. We kunnen waarnemen dat moreel gedrag, een manifestatie van de menselijke overtuiging, snel aan het verdwijnen is. Als aldus de uiterlijke expressie van de godsdienst verdwijnt, dan is dit een zeker teken dat de innerlijke strijd van het geweten zijn deugdzame werking verliest en spoedig zal imploderen in een niets. Zulk een micro­kosmische catastrofe heeft grote gevolgen voor de macrokosmische toekomst van de mensheid.

De haast om uit deze calamiteit voordeel te behalen is maar al te duidelijk en vormt een parodie van grote omvang. Zij begraaft ware godsdienst onder grote aantallen geestelijken die er aanspraak op maken zijn integriteit te beschermen. Hun geloof is zo afgedwaald van de zuivere oorsprong van godsdienst dat zij niet het hoofd kunnen bieden aan zowel wetenschappelijk onderzoek, als de menselijke rede. Dit is in zichzelf voldoende bewijs voor hun afdwalen, en de hieruit voortvloei­ende verandering in trouw, van trouw aan georganiseerde godsdienst naar trouw aan atheïsme en agnosticisme lijkt in de lijn der verwachting te liggen. Rede dwingt iemand te aanvaarden of te verwerpen, en ook godsdienst kan aan dit zwaard des oordeels dat op alle menselijke acties van toepassing is, niet ontsnappen. Of men dit nu het resultaat van evolutie noemt, of een goddelijke gift, het feit blijft dat dit werktuig van de rede ertoe strekt de mens tot voordeel te zijn. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke boodschappen en leerstellingen van godsdiensten tenminste de menselijke rede moeten hebben bevredigd, anders zouden zij weinig aanhangers hebben verworven en slechts korte tijd hebben bestaan. De diepe waarheid en overeenstemming van de oorspronkelijke godsdienstige leerstellingen met de menselijke natuur kan vandaag worden afgemeten aan de invloed die zij zelfs nu uitoefenen, ondanks het feit dat zij door mensenhanden en de tand des tijds zijn aangetast. Hoewel veel hedendaagse godsdiensten slechts een enkele vonk van zulke waarheid te zien geven, is het toch deze vonk die vandaag mensen aantrekt. De woorden van godsdienstige geschriften en van de profeten zijn immens aantrekkelijk door hun waarheid, en het is deze waarheid die door opportunisten en anderen wordt afgetapt en wordt aangeboden tezamen met louter vergulde aanbiedingen onder het vernis van godsdienstige dogma’s. Dit herinnert ons aan het soefi gezegde:

“Het is slechts omdat er zoiets is als echt goud, dat de mensen worden bedrogen door hun namaak.”

Maar hoe staat het met het ware goud, de werkelijke geestelijke schatten? Zijn zij voorgoed verloren? Zulk een situatie zou irrationeel zijn. Als de mens vandaag bestaat, bestaat ook zijn Schepper, en als de mens leiding nodig heeft dan zal zijn Schepper deze zeker uit Zijn barmhartigheid verschaffen. Als voor dit tijdperk een profeet is gezonden, dan zal hij zeker dezelfde kracht van logica in zijn argumenten tonen als de profeten vóór hem deden. Zijn boodschap moet ook rationeel zijn en de menselijke natuur aanspreken. Hij moet ook mensen rondom zich verzamelen ten teken van zijn waarachtigheid, en zijn gemeenschap moet tegen alle tegenstand weerstand bieden en verder moet haar gedrag een afspiegeling zijn van haar innerlijke overtuiging en de waarheid van haar geloof. Zulk een gemeenschap moet een beroep doen op de menselijke logica en het moet dus slechts zinvol zijn deze gemeenschap te volgen.

De Islam is een grote godsdienst

De Islam is een grote godsdienst. Het geheim van zijn grootheid ligt in de volledige en volmaakte leringen van de Heilige Koran, en in het feit dat de Stichter van de Islam, Sayedna Mohammad Mustafa (s), deze le­ringen in zijn hele omvang in praktijk bracht. Zo werd hij een volmaakt en levend voorbeeld van wat hij onderwees.

De diepe en onbreekbare verhouding tussen zijn praktijk en zijn lerin­gen lieten een onuitwisbare indruk achter op zijn Metgezellen. Toen na zij n dood aan zijn vrouw Ayesha over het leven van Sayedna Mohammad Mustafa (s) werd gevraagd, was haar antwoord:

“Zijn leven was de Koran.”

Er was geen tegenspraak tussen zijn woord en het Woord van God. Zijn openbaring was zuiver, zonder de minste reflectie van zijn persoonlijke wensen. De Heilige Koran bevat deze getuigenis over hem:

“Hij zegt niets vanuit zijn eigen ik; al zijn uitspraken zijn in overeenstemming met de Goddelijke openbaring.”

Geen wonder, dat hij in de Heilige Koran wordt voorgesteld als een vol­maakt voorbeeld voor de hele mensheid voor alle tijden. De Almachtige God zegt in de Heilige Koran:

“Voor u is een edel voorbeeld te vinden in de Profeet van God.”

Een selectie van verzen uit de Heilige Koran, die betrekking hebben op enkele belangrijke aspecten van menselijk belang, is al gepubliceerd. Hier wordt een korte selectie gepresenteerd van Hadith, d.w.z. overleveringen betreffende het leven, de daden en de gezegden van de Heilige Profeet (s) Het bestuderen van deze gezegden verschaft een korte inleiding tot het dagelijkse leven van de Heilige Profeet (s), alsmede over zijn gebeden, zijn hoge morele standaard en zijn preekstijl.

Hoewel van sommige overleveringen wordt bericht dat ze gedurende het leven van de Heilige Profeet (s) zijn geschreven, werden de meeste overleveringen zo’n 200 jaar na zijn overlijden aan het papier toevertrouwd. Ondanks het feit, dat de meeste overleveringen na zo’n lange tijd werden verzameld, mogen ze toch als hoogst betrouwbaar worden beschouwd in het licht van het volgende:

Omdat het woord van de Heilige Profeet (s) zeer hoog werd geacht, werd het door zijn metgezellen onmiddellijk in het geheugen geprent en vervolgens herhaalde malen doorverteld en onderling talloze malen besproken. De tweede belangrijke factor is, dat zijn woord met grote religieuze toewijding en devotie werd behandeld. Elke toevoeging of zelfs een geringe afwijking van zijn oorspronkelijke woorden werd opgevat als een misdaad, waarvoor men aan God verantwoording schuldig was. De woorden van de Heilige Profeet (s) zelf waren:

“De hel zal de woonplaats worden van iemand, die aan mij iets toeschrijft, wat ik niet heb gezegd.”

Ten derde, wanneer mensen dingen over hem of van hem aan anderen vertelden, dan was het de gewoonte van de ontvanger van zo’n bericht, niet alleen in het geheugen te prenten, wat hem werd verteld, maar ook de naam en bijzonderheden van de persoon, die het hem vertelde, zodat hij, wanneer zijn woord werd betwijfeld, de bron kon noemen. Het vierde belangrijke aspect is, dat de Arabieren beroemd waren om hun uitstekende geheugen, zelfs voor de komst van de Heilige Profeet (s) Het was niet vreemd onder hen mensen te vinden, die 100.000 of zelfs meer verzen van Arabische dichters uit hun hoofd kenden. Hieraan moet worden toegevoegd dat het een normale gewoonte was de familiestamboom uit het hoofd te kennen. Na de komst van de Heilige Profeet (s) werd de morele norm van zijn volgelingen tot een zeer hoge graad opgevoerd en werd in het bijzonder de gewoonte om te overdrijven veroordeeld. Verder werd in de Heilige Koran niet alleen grote nadruk gelegd op waarheid, maar ook op het staven van beweringen.

Ten gevolge van deze factoren werden de overleveringen van de Heilige Profeet van de Islam (s) met zeer bijzondere zorg behandeld, een zorg die onbekend was bij andere methoden van het verzamelen van historisch materiaal.

Tijdens het verzamelen van deze gezegden werkten Moslim geleerden zo nauwgezet, en werd zoveel aandacht geschonken aan nauwkeurigheid, dat geen verzameling van andere historische gegevens vergeleken kan worden met de samenstelling van de gezegden van de Heilige Pro­feet van de Islam (s) Elke schakel in de keten van vertellers van een afzonderlijke overlevering wordt precies opgegeven in de hoofdwerken van de Hadith. Zelfs de studie van het karakter van de vertellers en hun betrouwbaarheid ontwikkelde zich tot een studie apart. Als gevolg daarvan ontstond voor het eerst in de geschiedenis een nieuwe vorm van kennis betreffende de analyse van overleveringen.

Voor die lezers, die erg weinig weten over de Islam, moeten we hier vermelden, dat van de talloze boeken, die over het onderwerp overleverin­gen zijn geschreven, zes boeken als buitengewoon belangrijk worden beschouwd door Moslim geleerden. Die boeken zijn bekend als Sihah Sittah (de Zes Authentieke Boeken) De meeste overleveringen in deze korte verzameling komen uit deze zes boeken. Hieronder volgt een korte introductie tot deze boeken en tot de geleerden, die verantwoordelijk zijn voor de samenstelling ervan:

Sahih Bukhari: Dit boek wordt beschouwd als het meest authentieke boek na de Heilige Koran. De samensteller van dit boek is Mohammad Isma’il uit Bukhara, gewoonlijk bekend als Imam Bukhari (194-256 A.H., 816-878 A.D.)

Sahih Muslim: Op de tweede plaats wat belangrijkheid betreft staat Sa­hih Muslim. Dit werd samengesteld door Moslim bin al Hajaj, geboren in Neshapur in Khorasan (202-261 A.H.)

Jdmi’al-Tirmizi: Het boek op de derde plaats is Jami’al-Tirmizi. De sa­mensteller, Imam Mohammad bin’Isa is geboren in Tirmidh (209-279 A.H.)

Sunan Abu Da’ud: Het volgende boek is Sunan Abu Da’ud, samenge­steld door Sulaiman bin al-Asha’t, bekend als Abu Da’ud (202-275 A.H.)

Sunan ibn Mdjah: Beschouwd als vijfde wat authenticiteit betreft is Su­nan ibn Majah. Het werd samengesteld door Mohammad bin Majah, die uit de beroemde stad Qizwin in Iraq kwam (209-275 A.H.)

Sunan Nisd’i: Het zesde boek is Sunan Nisa’i. Het werd samengesteld door Ahmad bin Shu’aib, bekend als Nisa’i, genoemd naar de stad Nisa in Khorasan (215-306 A.H.)

Muwatta Imam Malik: Een andere zeer belangrijke verzameling van overleveringen naast de Sihah Sittah (de Zes Authentieke Boeken) is bekend als Muwatta Imam Malik. De samensteller, Malik bin Anas, is gewoonlijk bekend als Imam Malik. Dit boek wordt niet bij de Sihah Sittah gerekend aangezien het in de eerste plaats wordt beschouwd als een boek over rechtskunde, omdat de overleveringen meestal geciteerd worden bij discussies over juridische problemen. De authenticiteit van de overleveringen, geciteerd in Muwatta Imam Malik, kan worden beoordeeld door het feit, dat ze alle worden geciteerd in Sahih Bukhari en in Sahih Muslim. Imam Maliks rang tussen de samenstellers van overleve­ringen is zo hoog, dat hij bekend is als Imamul Muhaddithln (de leider van de samenstellers), en alle samenstellers hebben getuigenis afgelegd van zijn verheven positie.

Wat is de Islamitische Jihad?

Jihad is een Arabisch woord dat betekent: streven naar een bijzonder doel. Als in de Heilige Qor’an Allah (God) de mensen oproept tot de Jihad betekent dit het zich inspannen voor een nobele zaak. Deze Jihad kan worden verricht op vele manieren, welke alle beogen vrede in de samenleving te bevorderen.

De strijd voor zelfverbetering: Deze wordt beschouwd als de grootste Jihad omdat dit de strijd is tegen onze zelfzuchtige verzoekingen, zoals hebzucht, wellust en wereldse verlangens. Deze strijd eist meer zelfdiscipline van ons, zodat wij een morele controle over onze gedachten en daden kunnen hebben.

De plicht van de moslims om de ware boodschap van de Islam over te brengen aan anderen: De Heilige Qor’an benadrukt dat deze vorm van Jihad moet worden verricht met wijsheid, tolerantie en respect voor anderen en hun geloof, terwijl hierbij het gebruik van dwang of geweld is verboden.

Het besteden van de rijkdom die men bezit om behoeftigen te helpen: Het helpen van hen die in nood verkeren, ongeacht hun kleur, geloof of ras, is een vorm van Jihad die niet alleen helpt om het lijden van de mensheid te verlichten, maar die ook sociale vrede en harmonie vestigt tussen de rijken en armen.

De defensieve strijd: De Heilige Qor’an heeft duidelijk gemaakt dat deze vorm van Jihad (welke een Jihad is van de lagere orde) alleen kan plaatshebben onder bepaalde omstandigheden. Deze omstandigheden worden beschreven in de volgende verzen van de Heilige Qor’an:

Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen tegen wie wordt gevochten, omdat hun onrecht is aangedaan, en voorzeker heeft Allah de macht hen bij te staan – degenen die ten onrechte uit hun huizen werden verdreven, alleen omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allah”. En indien Allah sommige mensen niet door middel van anderen tegenhield, zouden zeker kloosters, kerken, synagogen, en moskeeën waarin dikwijls de naam van Allah wordt herdacht, zijn afgebroken. (22:40-41)

Hieruit is duidelijk dat moslims alleen de wapens kunnen opnemen ter zelfverdediging als zij het slachtoffer zijn van onderdrukking, als hun situatie levenbedreigend is en als zij uit hun huizen zijn verdreven simpelweg voor het beoefenen van hun godsdienst.

In feite moeten moslims als zij worden vervolgd voor het beoefenen van hun geloof, eerst de plaats waar zij worden onderdrukt, verlaten en een nieuwe verblijfplaats zoeken.

Als zelfs in hun nieuwe verblijfplaats de onderdrukker hun levens blijft bedreigen en voortgaat hen aan te vallen met de bedoeling hen ervan te weerhouden hun godsdienst te beoefenen, dan is aan de moslims het recht gegeven om ter zelfverdediging de wapens op te nemen.

Het is belangrijk op te merken dat deze strijd alleen defensief mag zijn en niet offensief. Dit wordt in de Heilige Qor’an als volgt bevestigd:

En strijd voor de zaak van Allah tegen degenen die tegen u strijden, maar overschrijd de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief. (2:191.)

Als de noodzaak tot een defensieve strijd optreedt, dan verschaft de Islam de moslims duidelijke instructies betreffende hetgeen wel en hetgeen niet moet worden gedaan, bijv. burgers die niet tegen moslims strijden, moeten niet worden aangevallen, bezittingen zoals gewassen of andere bronnen van voedsel en water, ziekenhuizen, weeshuizen, plaatsen van aanbidding (van alle religies) moeten niet worden verwoest, en vrouwen, kinderen, oude mensen en invaliden moeten met rust worden gelaten. Het is daarom heel duidelijk dat het doel van een dergelijke strijd het herstellen van vrede is en niet het bevorderen van agressie.

Jihad in al zijn vormen is daarom een middel om vrede in zowel onszelf, als in onze samenleving te bevorderen. Iedere actie die niet de vrede bevordert, kan daarom niet als Jihad worden bestempeld.

Wat is het standpunt van de Islam met betrekking tot terrorisme?

De Islam bestrijdt terrorisme in al zijn vormen, omdat het woord ‘Islam’ letterlijk vrede betekent. De verplichting voor de moslims om vrede te handhaven is zo diep geworteld in de Islam dat de Heilige Qor’an ware moslims als volgt beschrijft:

En de dienaren van de Barmhartige zijn zij die met nederigheid op aarde wandelen, en als de onwetenden hen aanspreken, zeggen zij: “Vrede!” (25:64)

De vierde khalifa (kalief) van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, Hadhrat Mirza Tahir Ahmad, heeft in duidelijke bewoordingen het standpunt van de Islam uiteengezet. Hij zei: “Islam verwerpt en veroordeelt iedere vorm van terrorisme ten stelligste. Hij verschaft geen dekmantel of rechtvaardiging voor welke daad van geweld dan ook, of deze wordt begaan door een individu, een groep of een regering…. Ik veroordeel krachtig alle daden en vormen van terrorisme, omdat het mijn diep geworteld geloof is dat niet alleen de Islam, maar geen enkele ware godsdienst, wat ook zijn naam is, geweld en het vergieten van bloed van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in de naam van God kan goedkeuren.”

Wat is het standpunt van de Islam met betrekking tot gehoorzaamheid aan de wetten van het land?

In de Islam is gehoorzaamheid aan de wetten van het land een godsdienstige plicht. De Heilige Qor’an beveelt moslims om niet alleen aan Allah en de Heilige Profeet Mohammed s.a. trouw te zijn, maar ook aan het gezag waaronder zij leven. Hij verklaart:

O u die gelooft, gehoorzaam Allah en gehoorzaam Zijn Boodschapper en degenen die over u gezag hebben. (4:60).

Deze plicht is verder uiteengezet door Hadhrat Mirza Masroor Ahmad, het huidige hoofd van de over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, die zei:

“Een ware Moslim kan nooit in haat zijn stem verheffen tegen zijn medeburgers, noch tegen het heersende gezag of de regering. Het is de verantwoordelijkheid van een ware moslim dat hij loyaal moet blijven en zich ten volle moet houden aan de wetten van het land waarvan hij een onderdaan is.” (Toespraak bij de opening van de Baitul Futuh moskee in Morden, Surrey, in oktober 2003)

NB Nummering Koranverzen: De Ahmadiyya Moslim Gemeenschap beschouwt de “tasmiyah” (“In Naam van Allah…”) als onderdeel van de Surah. De tasmiyah is daarom ook meegeteld in de nummering van de Surah. In sommige andere Korans is dit niet het geval. Hierdoor kan een vers dat hier wordt geciteerd als 10:100, in andere Korans genummerd zijn als 10:99, vers 2:257 in andere Korans als 2:256, etcetera. De tekst van alle Korans is echter dezelfde.

Wat is de straf voor afvalligheid in de Islam?

Er is geen straf voor afvalligheid in de Islam. Bovendien is er geen enkel voorbeeld van enige straf voor afvalligheid die werd toegekend door de Heilige Profeet Mohammed s.a.

De Islam benadrukt vrijheid van godsdienst voor allen en laat het aan de mensen over de godsdienst van hun keuze te volgen. Hierover verklaart de Heilige Qor’an:

Er is geen dwang in de godsdienst. (2:257)

Voor u uw godsdienst, en voor mij mijn godsdienst. (109:7)

Vrijheid van godsdienst vormt daarom een grondbeginsel in de Islam, en dit maakt duidelijk dat godsdienst een persoonlijke aangelegenheid is tussen de mens en God. Mensen zijn vrij te geloven in welke godsdienst dan ook zonder enige bestraffing door de mens (Heilige Qor’an 4:138). De Islam herinnert ons er wel aan dat wij voor God verantwoordelijk zullen worden gehouden voor ons geloof en onze daden.

Wat is de straf voor godslastering in de Islam?

Er is geen straf in de Islam voor godslastering. Zo’n straf wordt niet voorgeschreven in de Heilige Qor’an en niet in de overleveringen van de Profeet Mohammed s.a.

De Islam bevordert respect voor alle godsdiensten voor de zaak van vrede in de samenleving, en legt geen enkele straf op voor godslastering, ondanks het feit dat dit voor gelovigen aanstootgevend kan zijn.

Mogen niet-moslims een moskee binnengaan?

Het is iedereen toegestaan een moskee te betreden zolang men schoon is en fatsoenlijk gekleed. Men moet vóór het binnengaan van de gebedsruimte de schoenen uittrekken opdat de moskee schoon blijft. Tijdens de gebeden namelijk buigen zij die bidden zich ter aarde. Mensen van ieder geloof mogen ook in een moskee bidden zolang zij geen afgoden aanbidden. Een goed voorbeeld hiervan is de toestemming die de Profeet Mohammed s.a. gaf aan een groep christenen om hun gebedsdienst te houden in zijn moskee in Medina (Zurqani).

De Ahmadiyya Moslim Gemeenschap Nederland heeft in 1955 de eerste moskee van Nederland, de Mobarak Moskee in Den Haag, gebouwd. (zie foto). Als u een moskee wilt bezoeken of u wilt informatie over de Islam dan kunt u met ons contact opnemen.

Wat geloven moslims met betrekking tot vroegere profeten en geschriften?

Twee van de zes geloofsartikelen van de moslims zijn het geloof in de Profeten van God en het geloof in de goddelijke geschriften. Daarom geloven moslims dat alle profeten door God zijn gezonden en dat de geschriften in hun oorspronkelijke vorm goddelijke openbaringen waren die naast andere zaken de absolute eenheid van God onderwezen.

Volgens de Heilige Qor’an heeft God Zijn Boodschappers gezonden naar iedere natie.

Hij verklaart:

Er is geen volk tot welk geen boodschapper is gezonden. (35:25))

En voor ieder volk is er een boodschapper. (10:48)

Sommige profeten worden in de Heilige Qor’an zelf genoemd, zoals Adam, Abraham, David, Salomo, Mozes, Jezus en Mohammed (vrede zijn met hen allen). Andere profeten (die niet met naam in de Heilige Qor’an zijn genoemd) zijn Zoroaster, Krishna en Confucius (vrede zij met hen allen), om slechts enkele te noemen.

Zoals eerder genoemd geloven moslims niet alleen in alle vroegere profeten, maar ook in de openbaringen en de geschriften die aan deze profeten door God werden gegeven. In de Heilige Qor’an zelf worden vier geopenbaarde boeken buiten de Heilige Qor’an, genoemd. Deze zijn:

Suhuf

(Geschriften van Abraham, vrede zij met hem, 87:20)

Van de Suhuf van Abraham is thans niets bekend. Deze teksten zijn waarschijnlijk nooit op schrift gesteld.

Tauraat

(Torah van Mozes, vrede zij met hem, 3:4)

De Tauraat omvat de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel en bevat de volledige wet voor de Israëlieten. Deze vijf boeken zijn: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Samen zijn deze vijf boeken bekend als de Pentateuch. De Torah werd door de generaties heen mondeling overgeleverd en werd tenslotte op schrift vastgelegd enkele honderden jaren na Mozes (vrede zij met hem).

Zabur

(Psalmen van David, vrede zij met hem, 4:64)

Tegenwoordig is erg weinig bekend van de Zabur, of de openbaringen van de Profeet David (vrede zij met hem). In de Hebreeuwse Bijbel zijn vele psalmen (heilige gezangen of hymnen) die aan David (vrede zij met hem) worden toegeschreven en welke deel kunnen uitmaken van de Zabur.

Indjiel

(Het Evangelie van Jezus Christus, vrede zij met hem, 5:47)

De Indjiel of het Evangelie werd geopenbaard aan de Profeet Jezus (vrede zij met hem), maar werd niet tijdens zijn leven opgetekend. Na zijn dood werden pogingen gedaan om zijn leer op schrift vast te leggen. Uit de vele van dergelijke verslagen werden er vier door de vroege Kerk als officiële verslagen van de leer van Jezus (vrede zij met hem) geselecteerd. Deze vier versies van het Evangelie zijn tegenwoordig bekend als de Evangeliën van Mattheus, Lukas, Markus en Johannes. Er zijn echter andere Evangeliën (die niet in de Bijbel zijn opgenomen) die ook belangrijke informatie bevatten over het leven en de leer van Jezus (vrede zij met hem).

Met uitzondering van de Heilige Qor’an hebben geen van de geopenbaarde boeken hun oorspronkelijke vorm behouden.

Zijn vrouwen inferieur aan mannen in de Islam?

Een metgezel van de Heilige Profeet Mohammed s.a. vroeg hem eens “Wie komt mijnerzijds het meest in aanmerking voor een vriendelijke behandeling en een goed gezelschap?” De Profeet antwoordde: “Uw moeder”. De metgezel vroeg daarop “En na haar?” De Profeet antwoordde: “Uw moeder”. De metgezel stelde toen voor de derde maal dezelfde vraag, waarop de Profeet hetzelfde antwoord gaf. Toen de metgezel dezelfde vraag nog eens stelde, zei de Profeet: “Uw vader en dan andere verwanten”. (Bukhari)

Dit gezegde alleen weerlegt de misvatting dat vrouwen inferieur zijn aan mannen in de Islam, en het demonstreert in het bijzonder hoeveel belang Islam hecht aan respect voor de moeder.

Volgens de Islam zijn alle gelovigen gelijk, en alleen het verrichten van oprechte daden verheft iemand boven een ander. De Islam erkent echter ook dat een dergelijke gelijkheid niet betekent dat mannen en vrouwen gelijk zijn waar het vermogens en rollen betreft. Hij houdt rekening met hun verschillende fysieke en emotionele kracht en bakent met het oog hierop hun verschillende rollen in het leven af. Deze rollen zijn daarom niet een weerspiegeling van superioriteit of minderwaardigheid, maar een zaak van natuurlijke vermogens en een goed functioneren. Zo hebben mannen de taak toegewezen gekregen om te werken en voorzieningen te treffen voor het gezin, terwijl aan vrouwen de rol is toebedeeld van het moederschap en de zorg voor de huishouding. De Islam geeft beiden dezelfde belangrijkheid en benadrukt ook dat de rollen niet exclusief zijn en niet star mogen worden geïnterpreteerd. Zo verbiedt de Islam vrouwen niet om te werken of dienstbaar te zijn aan de samenleving, en ook ontheft hij mannen niet van hun aandeel in de verantwoordelijkheid voor hun kinderen en het huishouden.

In Islam heeft de vrouw individueel recht op bezit. Als zij is gehuwd en verkiest om te werken, dan is het geld dat zij verdient voor haar, en de echtgenoot heeft hierop geen recht. De echtgenoot moet echter het gehele gezin financieel ondersteunen. Ieder bezit dat een vrouw verkrijgt door haar eigen inspanning, of erft, of als legaat of gift ontvangt, behoort haar toe, onafhankelijk van haar echtgenoot. De Islam heeft vrouwen erfrecht geschonken en zij ontvangen daarom het hun verschuldigde aandeel zoals voorgeschreven door de Shariah (Islamitisch recht). Deze economische onafhankelijkheid van vrouwen werd door de Islam gevestigd ruim voordat gelijke rechten werden toegekend aan vrouwen in de moderne wereld. Deze rechten voor vrouwen, zoals stemrecht, erfrecht, recht op studie werden in Europa pas veel later toegekend. Zo werd in Engeland in 1882 de eerste Married Women’s Property Act door het parlement aangenomen.

De Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) verhief de intellectuele en geestelijke status van vrouwen. De Heilige Profeet s.a. erkende de essentiële rol die vrouwen moesten spelen in de opbouw van de samenleving. Hij legde daarom grote nadruk op het opvoeden van meisjes, door te zeggen: “Een man die twee dochters heeft en hen naar zijn beste vermogen opvoedt en hen doet huwen, zal recht hebben op het paradijs.” Iemand vroeg (toen hij dit hoorde): “O Profeet van Allah, wat als hij één (dochter) heeft?” Hij antwoordde: “En (zelfs als hij) één (dochter) heeft.” (Al Mo’jam Al-Ausat)

Gods behandeling van mensen die hem getrouw zijn

Selectie uit de geschriften van de Beloofde Messias

Voorwaar, Almachtig is de God

Wiens aanbidders niet verloren zullen gaan: zij die met liefde en trouw tot Hem komen. De vijand pocht dat hij hen met zijn kwaad zal vernietigen, en hij die kwade bedoelingen heeft verklaard plechtig hen te zullen vernietigen. Dwaas, zegt God, waagt u het Mij te bestrijden en hem te vernederen die Mij dierbaar is? Voorwaar, op deze aarde kan niets geschieden tenzij dit in de hemel is verordend en geen aardse hand kan zich uitstrekken buiten de sfeer die voor haar in de hemelen is vastgesteld. Zij die kwade en wrede plannen beramen zijn daarom uiterst dwaas, zij die zich tijdens hun afschuwelijke en schaamteloze samenzweringen niet dat Opperwezen herinneren zonder Wiens uitdrukkelijke verordening geen blad mag vallen. Zij blijven daarom zonder succes en hun doelstellingen worden verijdeld. De rechtgeleiden worden door hun kwaad niet geschaad. In plaats hiervan worden de tekenen van God alom duidelijk en het begrip van de mensen van Gods wegen wordt vergroot. Die Almachtige God Die door de ogen ongezien blijft, manifesteert Zich inderdaad door Zijn wonderlijke wegen. (Ruhani Khazain, deel 13: Kitabul-Bariyyah, Muqaddama, blz. 19-20)

God is het licht van de hemelen en de aarde.

Ieder licht dat wordt gezien, hetzij groot of klein, of het tot de zielen behoort of betrekking heeft op lichamen, of het een voorwerp of een doel is, is louter een overvloed van Zijn Genade. Dit is een teken dat er op duidt dat de milddadigheid van Al­lah alles omvat. Hij is de Bron van alle Genade en Hij is de uiteindelijke oorzaak van ieder licht, de Bron van alle zegeningen. Zijn Wezen ondersteunt het heelal en is de toevlucht van allen, hoog en laag. Hij is het Die alles uit de duisternis van het niets voortbracht en alles met de mantel van het zijn bedekte. Geen ander wezen dan Hij bestaat uit zichzelf of is eeuwig; alle andere wezens zijn de ontvangers van Zijn genade. Aarde en hemel, mens en dier, stenen en bomen, zielen en lichamen, alle worden door Zijn Genade onderhouden. (Ruhani Khazain, deel 1: Barahin-e-Ahmadiyya, voetnoot, blz. 191-192)

Alle lof behoort Hem Die de Eeuwigdurende is.

Niemand is Zijn gelijke, noch gelijkt iemand op Hem. Hij blijft voor altijd, de rest is vergankelijk. Het beminnen van anderen dan Hem is louter een fantasie. Hij alleen is het verlangen van mijn hart, ik ken niemand anders. Mijn hart roept uit: Heilig is Hij Die mij in het zicht houdt. Hij voorziet voor allen, Zijn Genade is duidelijk. In Hem ligt onze vertroosting; Hij alleen is ons lief. Zonder Hem kunnen wij niet leven. Al het andere is vals. Gezegend is deze dag. Heilig is Hij die mij in het zicht houdt. (Ruhani Khazain, deel 12: Mahmud ki Amin, blz. 319)

De Goddelijke verschijning

Selectie uit de geschriften van de Beloofde Messias

Hij die niet zonder twijfel is, is ook niet veilig voor straf. Hij wiens lot het is God in deze wereld niet te zien, zal ook in het Hiernamaals de duisternis als lot hebben. God zegt:

“Maar wie blind is geweest in deze wereld, zal blind zijn in het Hierna­maals”. (Koran 17.73) Ruhani Khazain, deel 13: Kitabu-Bariyya, blz. 65

Ik spreek de waarheid en niets dan de waarheid. Als zielen worden begiftigd met een oprecht verlangen te zoeken en de harten dorstig worden naar kennis, dan zal de mensheid verlangen dat Pad en die Weg te ontdekken. Maar hoe kan men toegang hebben tot dat Pad en hoe kan de sluier worden opgelicht? Ik verzeker allen die zoeken dat het alleen de Islam is die blijde tijdingen geeft van de Weg. De andere geloven heb­ben reeds lang de instelling van openbaring van God beëindigd. Weest er dus van verzekerd dat het niet God is Die openbaring heeft afgesloten. Maar het is de mens die om zijn verlies te rechtvaardigen toevlucht zoekt tot dit valse excuus. Beseft ten voile dat aangezien het niet mogelijk is zonder ogen te zien, zonder oren te horen of zonder tongen te spreken, het ook niet mogelijk is om de blik op onze geliefde God te werpen zon­der de hulp van de Heilige Koran. Eens was ik jong. Nu ben ik oud. Maar ik heb niemand gevonden die zonder toegang tot deze zuivere bron, de Koran, te hebben, heeft gedronken uit de beker van zulke duidelijke en heldere leiding. (Ruhani Khazain, deel 1: Barahin-e-Ahmadiyya, blz. 191-192)

Ziet, hoe duidelijk is het Licht van God, Die de uiteindelijke Bron van alle licht is. Het gehele universum wordt een reflecterende spiegel voor de ogen om Hem waar te nemen. De afgelopen nacht raakte ik terwijl ik de maan aanschouwde zo opgewonden. In de schoonheid van de maan waren de sporen van de schoonheid van mijn Geliefde. Onder invloed van die volmaakte Schoonheid verkeert mijn hart in een toestand van opwinding; Noemt mij niet de bevalligheid van de Turk of de Tartaar. O mijn Geliefde! Hoe prachtig is Uw scheppende kracht die zich overal manifesteert. In welke richting ik ook zie, ik zie dat iedere weg naar Uw aanwezigheid leidt. In de bron van de zon is men getuige van de getijden van Uw macht; Ie­dere ster twinkelt met Uw Glorie. Met Uw eigen hand heeft U zout gestrooid over pijnlijke harten hetgeen resulteert in kwellende uitroepen van smachtende minnaars. Niemand kan het uiteindelijke ontwerp van Uw schepping bevatten. Wie kan het web van dit verbijsterende raadsel ontwarren? Het is Uw bekoring die de essentie van iedere schoonheid is. Iedere bloem die bloeit, ontleent haar kleur aan de pracht van Uw eigenschappen. De zachte, in vervoering brengende ogen van allen die met schoonheid zijn begiftigd doen ons U ieder moment herinneren. De schoonheid van Uw gouden lokken wijst in Uw richting. Met welke mysterieuze hoedanigheden hebt Gij ieder deeltje vervuld? Wie kan de omvangrijke verslagen van deze mysteriën doorzien? (Ruhani Khazain, deel 2: Surma-e-Chashme-Arya, blz. 4; uit het gedicht “Een hymne aan God”)

De Eenheid van God is een licht dat het hart alleen verlicht na de ontkenning van alle godheden, of zij tot het innerlijk of tot het uiterlijk behoren. Het dringt ieder deeltje van het wezen van de mens binnen. Hoe kan dit worden verkregen zonder de hulp van God en Zijn Boodschapper. Het is alleen de plicht van de mens om zijn ego te doden en duivelse trots zijn rug te tonen. Hij moet zich er niet op beroemen te zijn grootgebracht in de wieg van kennis, maar hij moet zichzelf beschouwen alsof hij louter een onwetende persoon was en zich bezighouden met smekingen. Dan zal God het licht van Eenheid op hem doen nederdalen en hem nieuw leven geven. (Ruhani Khazain, deel 22: Haqiqatul-Wahi, blz. 148)

Die God (zoals gepresenteerd door de Koran) is een uiterst getrouwe God, Die wonderen verricht voor hen die Hem getrouw blijven. De wereld is er op uit hen (die Hem getrouw zijn) te vernietigen, maar Hij Die met hen bevriend is behoedt hen voor ieder gevaar en schenkt hun de overwinning op ieder terrein. Hoe bijzonder gelukkig is hij die de banden met Hem nooit verbreekt. (Ruhani Khazain, deel 19: Kashti-Nuh, blz. 20)

Herinnering van de Heer

Abu Musa (r) vertelt:

“Eens, toen we op reis waren met de Heilige Profeet (s) begonnen de mensen nogal luid te roepen: ‘Allahu Akbar!’ (God is de Grootste). De Heilige Profeet (s) zei: ‘O mensen, betracht bescheidenheid. U richt u niet tot iemand, die doof is, of afwezig is. U richt u tot de Ene, Die Alhorend, Alom tegenwoordig en reeds met u is’.” (Muslim)

Abu Hurairah (r) vertelt dat de Heilige Profeet (s) zei:

“Aan Allah behoren enkele engelen van hoge rang toe, die altijd op zoek zijn naar mensen die samen komen om Allah te gedenken. Wanneer zij een bijeenkomst vinden, die bezig is met het gedenken van Allah de Almachtige, dan voegen de engelen zich bij hen en spreiden hun vleugels over hen uit en zweven boven elkaar tot de ruimte tussen de aarde en de dichtstbijzijnde hemel met hun aanwezigheid is gevuld.*

Wanneer de mensen uiteen gaan dan vertrekken zij ook, weer opstijgend te hemel.

Dan vraagt de Almachtige (volledig op de hoogte van wat er gebeurde) hen:

‘Waar komen jullie vandaan?’

Zij antwoorden:

‘We komen van enige dienaren van U, die U aan het verheerlijken waren door Uw Grootheid te prijzen, Uw Eenheid te verkondigen, U te verheerlijken en U nederig te smeken.

Dan vraagt de Almachtige:

‘Wat vroegen ze van Mij?’ De engelen zeggen: ‘Ze vroegen U om Uw paradijs.’

Dan informeert Allah:

‘Hebben ze Mijn paradijs gezien?’ De engelen antwoorden: ‘Nee, onze heer, zij hebben Uw paradijs niet gezien.’ ‘En als ze Mijn paradijs hadden gezien!’ roept Allah uit. ‘Ze zoeken ook toevlucht bij U’ vervolgen de engelen.

Allah zegt:

‘Waarvoor zoeken ze bij Mij toevlucht?’ ‘Voor Uw vuur’ antwoorden ze.

Allah vraagt:

‘Hebben ze mijn vuur gezien?’ De engelen antwoorden: ‘Nee, dat hebben ze niet.’ ‘En wat als ze Mijn vuur hadden gezien!’ roept Allah uit. Dan zeggen de engelen: ‘Ze vragen om U vergeving.’ Allah antwoord: ‘Dat heb ik al ingewilligd; en ook heb Ik hun alles toegewezen waarom ze Mij smeekten en Ik heb hun de toevlucht gegeven, die ze bij Mij zochten.’ Dan zeggen de engelen: ‘O, onze Heer, er was iemand onder hen, die buitengewoon zondig was. Hij kwam net voorbij en ik heb een tijdje bij hem gezeten.’ ‘Zelfs hem heb ik vergeven’ zegt Allah. ‘Ze zijn zo gezegend, dat niemand, die toevallig in hun gezelschap is, ongezegend blijft’.” (Muslim)

Gods Eenheid

Gods Eenheid is het geloofspunt waarop de gehele godsdienst van de Islam gebaseerd is.

Dit is het eerste en grootste geloofspunt waar de Islam op gebouwd is. De 112de hoofdstuk (soerah) van de Heilige Koran, genaamd “Gods Eenheid” is hieraan gewijd. Deze soerah, bestaat uit vier verzen en luidt als volgt:

“Zeg: “Allah is de Enige. Allah is zichzelf-genoeg, Eeuwig. Hij verwekte noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk” (Koran 112:1-5).

Deze soerah wordt door moslims veel in hun gebeden gereciteerd. Het derde vers van deze soerah verwerpt de opvatting dat God een Zoon zou hebben. Deze stelling wordt door de Islam uitdrukkelijk verworpen daar zij in strijd is met het monotheïsme. Bij het aannemen van deze stelling “Zoon van God “ ontstaat veelgodendom.

De Eenheid van God kan men terugvinden door de gehele Koran. Dit wordt steeds opnieuw met nadruk vermeld; het wordt de moslim als het ware in het hart gegrift. Soerah Al-Baqarah vers 256 is een van de schoonste verzen betreffende Gods Eenheid en Volmaaktheid en luidt al volgt:

“Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande. Sluimer, noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder zijn verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en achter hen is en zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide vermoeid Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote”(Koran 2:256).

De geloofsformule die in de Heilige Koran geopenbaard is, waarin de Eenheid van God wordt uitgedrukt, luidt als volgt:

La ilaha ill-allah, wat vertaald kan worden als:

“Er is geen Ilah buiten GOD.”

Indien men echter de betekenis kent van het woord “ilah” (aanbiddenswaardig). Dan weet men, dat het hier niet gaat om een dood dogma. Men zal juist integendeel beseffen, hoe “ La ilaha ill-allah “ leeft voor de moslims. En hierdoor de kern van de Islam gaan begrijpen, dus de Islam zelf.

De betekenis van het woord “ilah” is “voorwerp van verlangen, aanbidding en liefde”. Wanneer dus een moslim de geloofsformule (in het Nederlands: Er is geen “ilah “buiten God) uitspreekt, zegt hij, dat “niemand en niets waardig is begeerd, aanbeden en bemind te worden dan God alleen”

Hieruit blijkt dus, dat in de Islam het verlangen, de aanbidding en de liefde huldeblijken zijn, die alleen aan God bewezen mogen worden; gaat de liefde, het verlangen of de aanbidding van de mens naar iets anders uit dan naar God alleen, dan heeft voor die mens God opgehouden de Enige God te zijn; die mens is dan volgens de Islam, een afgodendienaar.

Het zijn niet alleen de goden van hout of steen die door de mensenhand zijn gemaakt, waartegen de mens gewaarschuwd wordt; ware dit zo, dan had deze formule niet meer bestaan. Slechts de primitieve mens zal zich aan deze vorm van aanbidding overgeven. Zodra de mens echter zijn voet een trede hoger zet, op de trap van geestelijke ontwikkeling, dan ziet hij meteen zijn fout in. Het zijn vooral die goden, die in het hart zetelen, waartegen een moslim moet strijden.

Niet alleen voor het verwilderd, afgodendienend Arabierenvolk werd veertien eeuwen geleden deze formule geopenbaard. Maar juist ook ten behoeve van alle volkeren. Vanaf de minst geestelijk ontwikkelde mens, tot hem, die God heel dichtbij heef benadert. Allen hebben wij te getuigen, dat er geen “ilah” is buiten God, namelijk dat niemand en niets waardig is om begeerd, aanbeden en bemind te worden dan God alleen.

Wellicht zullen sommigen vragen:

“Moet een moslim dan niet zijn medemens, zijn naaste, liefhebben? Moet hij dan niet al wat in zijn vermogen is, bijdragen tot verdrijving van ellende en armoede, tot leniging der smart?”

Het antwoord hierop is, dat het natuurlijk dwaas zou zijn indien men God lief wil hebben en dan alles wat door God geschapen is, en wat aan Hem toe behoord, te verachten of te haten.

Zo mag een moslim van al het goede dat hem hier op aarde geschonken wordt er in mate “dankbaar“ gebruik van maken. Op verschillende plaatsen wordt dit in de Koran vermeld. En steeds wordt daaraan toegevoegd:

“En looft Uw Heer“

voor al het goede dat u ontvangt. Hij dient dus indachtig te zijn, dat hij dit van zijn Heer ontvangt, zelfs voor wat hij zich heeft verschaft door eigen verstand of eigen inspanning, is hij dank aan God verschuldigd, daar Deze hem begiftigde met talent of wilskracht.

Onze medemens dienen we niet om diens wil lief te hebben, maar wij moeten deze mens eerst liefhebben om zijn Schepper en dan zal onze liefde onszelf en onze naaste tot zegen zijn.

Een moslim mag niet slechts wat hij kan bijdragen tot leniging van de smart en armoede, maar hij moet dit doen; het is een uitdrukkelijk gebod, dat men op verschillende plaatsen in de Heilige Koran aantreft. De ware weldadigheid is echter deze die geestelijke zegen afwerpt. Indien een moslim een arme voedt of kleedt, enkel en alleen om deze laatste te voeden of te kleden, zal dit weldoen noch voor hem, noch voor die arme een zegen afwerpen. De weldadigheid die men zijn medemens bewijst, moet echter in de allereerste plaats ontspruiten uit de overheersende drang, God zijn dankbaarheid te tonen voor eigen ontvangen weldaden, voor zijn eigen gezondheid, voor zijn eigen voorspoed. In de tweede plaats moet het hoofddoel van weldadigheid zijn, niet dat de medemens gevoed of gekleed wordt, maar dat voor de ontvangen weldaad ook van die arme een juichtoon zal opstijgen tot Gods troon, dat weer een schepsel Gods Naam verheerlijkt en God looft. Want het is het verheerlijken van Gods Naam, dat het streven van de mens moet zijn. Alle liefde, elke weldaad die men de naaste betoont, moet dus alleen gegeven worden: “God ter eer“. God behoren wij toe, tot God keren we terug.

Bij alles wat wij in dit leven ondernemen, moet dus ook God en de verheerlijking van Zijn Naam ons enige doel zijn. Dus ziet men, dat niet alleen het verlangen en de aanbidding van de moslim aan God gewijd zijn, maar dat ook de liefde van de moslim tegenover zijn naaste ook inderdaad liefde tot God is.

Alle lof behoort Hem Die de Eeuwigdurende is. Niemand is zijn gelijke, noch lijkt iemand op Hem.

Hazrat Mirza Ghulam Ahmed, de Beloofde Messias

Allah

“Die God (zoals gepresenteerd door de Koran) is een uiterst getrouwe God, Die wonderen verricht voor hen die Hem getrouw blijven. (Kashti Nuh, blz. 20, Ruhani Khazain, deel 19)

“Ons paradijs is in onze God. Onze grootse vreugde is in onze God, want wij hebben Hem gezien en in Hem alle schoonheid gevonden. Deze schat is het waard te worden verkregen, zelfs als men hierbij het leven moet laten. Deze robijn is het waard te worden gekocht, zelfs als men zich hierin geheel moet verliezen. O gij die hiervan verstoken zijt, spoedt u naar deze bron, want zij zal uw dorst lessen. Het is de bron des levens die u zal redden. Wat moet ik doen en hoe zal ik dit goede nieuws zich in de harten doen vestigen? Hoe zal ik de aankondiging doen in de straten dat dit uw God is, zodat de mensen mogen horen? Welke medicijn zal ik voor hun oren gebruiken zodat zij zouden luisteren. Als u tot Allah behoort, wees er van verzekerd dat Allah zeker tot u zal behoren” (Kashti Nuh blz.21-22 Ruhani Khazain, deel 19)

 

“Hoor! U die oren heeft om te horen: Wat is het dat Allah van u verlangt? Alleen dit dat u alleen de Zijne wordt en geen gelijke aan Hem opricht, noch hier op aarde, noch in de hemel.

Onze God is de Ene, Die vandaag evenzeer leeft als in het verleden het geval was.

Evenzo spreekt Hij vandaag zoals Hij in het verleden deed; Hij hoort zoals Hij placht te horen. Te denken dat Hij in deze eeuw alleen luistert maar niet spreekt is een nutteloos geloof. Inderdaad, Hij hoort en spreekt. Al Zijn eigenschappen zijn eeuwig en altijddurend. Geen van Zijn eigenschappen zijn ooit opgeschort. Dit zal ook nooit het geval zijn. Hij is hetzelfde Unieke wezen Dat geen deelgenoot heeft; Hij heeft geen zoon en geen echtgenote; en Hij is hetzelfde Eeuwige Wezen Dat weergaloos is en niemand is Hem in enig opzicht gelijk.

Niemand is Hem qua eigenschappen gelijk.

Geen van Zijn krachten tanen ooit. Hij is dichtbij en toch ver, ver en toch dichtbij. Hij is de Hoogste der hogen, toch kan niet worden gezegd dat er nog iemand anders onder Hem is. Hij is in de hemelen, maar men kan niet zeggen dat Hij niet op de aarde is. Hij verenigt in Zich alle meest volmaakte eigenschappen en Hij manifesteert de deugden die waarlijk lofwaardig zijn. Hij is de bron van alle uitmuntendheid; Hij is de Almachtige. Al het goede is van Hem afkomstig en tot Hem keren alle dingen terug.

Alle bezittingen behoren Hem toe. In Hem worden alle voortreffelijkheden verenigd. Hij is vrij van smetten, zonder zwakheid. Hij is uniek in Zijn recht te worden aanbeden door allen die op de aarde verblijven of tot de hemelen behoren.” (Al-Wasiyyat, blz. 309-310, Ruhani Khazain, deel 20)