Gods behandeling van mensen die hem getrouw zijn

Selectie uit de geschriften van de Beloofde Messias

Voorwaar, Almachtig is de God

Wiens aanbidders niet verloren zullen gaan: zij die met liefde en trouw tot Hem komen. De vijand pocht dat hij hen met zijn kwaad zal vernietigen, en hij die kwade bedoelingen heeft verklaard plechtig hen te zullen vernietigen. Dwaas, zegt God, waagt u het Mij te bestrijden en hem te vernederen die Mij dierbaar is? Voorwaar, op deze aarde kan niets geschieden tenzij dit in de hemel is verordend en geen aardse hand kan zich uitstrekken buiten de sfeer die voor haar in de hemelen is vastgesteld. Zij die kwade en wrede plannen beramen zijn daarom uiterst dwaas, zij die zich tijdens hun afschuwelijke en schaamteloze samenzweringen niet dat Opperwezen herinneren zonder Wiens uitdrukkelijke verordening geen blad mag vallen. Zij blijven daarom zonder succes en hun doelstellingen worden verijdeld. De rechtgeleiden worden door hun kwaad niet geschaad. In plaats hiervan worden de tekenen van God alom duidelijk en het begrip van de mensen van Gods wegen wordt vergroot. Die Almachtige God Die door de ogen ongezien blijft, manifesteert Zich inderdaad door Zijn wonderlijke wegen. (Ruhani Khazain, deel 13: Kitabul-Bariyyah, Muqaddama, blz. 19-20)

God is het licht van de hemelen en de aarde.

Ieder licht dat wordt gezien, hetzij groot of klein, of het tot de zielen behoort of betrekking heeft op lichamen, of het een voorwerp of een doel is, is louter een overvloed van Zijn Genade. Dit is een teken dat er op duidt dat de milddadigheid van Al­lah alles omvat. Hij is de Bron van alle Genade en Hij is de uiteindelijke oorzaak van ieder licht, de Bron van alle zegeningen. Zijn Wezen ondersteunt het heelal en is de toevlucht van allen, hoog en laag. Hij is het Die alles uit de duisternis van het niets voortbracht en alles met de mantel van het zijn bedekte. Geen ander wezen dan Hij bestaat uit zichzelf of is eeuwig; alle andere wezens zijn de ontvangers van Zijn genade. Aarde en hemel, mens en dier, stenen en bomen, zielen en lichamen, alle worden door Zijn Genade onderhouden. (Ruhani Khazain, deel 1: Barahin-e-Ahmadiyya, voetnoot, blz. 191-192)

Alle lof behoort Hem Die de Eeuwigdurende is.

Niemand is Zijn gelijke, noch gelijkt iemand op Hem. Hij blijft voor altijd, de rest is vergankelijk. Het beminnen van anderen dan Hem is louter een fantasie. Hij alleen is het verlangen van mijn hart, ik ken niemand anders. Mijn hart roept uit: Heilig is Hij Die mij in het zicht houdt. Hij voorziet voor allen, Zijn Genade is duidelijk. In Hem ligt onze vertroosting; Hij alleen is ons lief. Zonder Hem kunnen wij niet leven. Al het andere is vals. Gezegend is deze dag. Heilig is Hij die mij in het zicht houdt. (Ruhani Khazain, deel 12: Mahmud ki Amin, blz. 319)