Jezus in de Heilige Koran

En zij ontving hem en trok zich met hem terug in een ver afgelegen oord.

En de smarten der bevalling dreven haar naar de voet van een palmboom. Zij zeide: “O, liever zou ik vََr dit geschiedde gestorven en in de vergetelheid geraakt zijn.”

Dan riep (Gods boodschapper) haar van beneden toe, zeggende: “Treur niet. Uw Heer heeft een beekje aan uw voet doen ontstaan;

“En schud de stam van de palmboom naar u toe, deze zal verse, rijpe dadels op u doen neervallen;

Eet en drink en koel uw oog. En indien gij iemand ziet, beduid hem dan: “Ik heb de Barmhartige gelofte gedaan te vasten; derhalve zal ik heden met niemand spreken.”

Alsdan bracht zij het kind tot haar volk. Dit zeide: “O Maria, gij hebt iets vreemds gedaan.”

“O Zuster van Aنron, uw vader was geen verdorven man noch was uw moeder een onkuise vrouw.”

Dan wees zij naar het kind. Zij zeiden: “Hoe kunnen wij tot een wiegekind spreken?”

Hij (Jezus) zeide: “Ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij het Boek gegeven en mij tot een profeet gemaakt;

Hij heeft mij gezegend waar ik mij ook moge bevinden; en heeft mij het gebed en het geven van aalmoezen zolang ik leef opgelegd.

En dat ik gehoorzaam zou zijn jegens mijn moeder. Hij heeft mij noch een onderdrukker, noch een slecht mens gemaakt.

Vrede was met mij op de dag mijner geboorte en zal met mij zijn op de dag van mijn dood en evenzo op de dag dat ik ten leven zal worden opgewekt.”

Aldus was Jezus, de zoon van Maria. En (dit is) het ware woord waaraan zij twijfelen.

Het past niet bij Allah Zich een zoon te verwekken, Heilig is Hij. Wanneer Hij een beslissing neemt, zegt Hij daartoe slechts: “Wees”, en het wordt.

“Voorwaar, Allah is mijn Heer en uw Heer. Aanbidt Hem derhalve, dit is de rechte weg.”

De uitdrukking in deze verzen: “Opdat Wij hem tot een teken voor de mensen maken”, verwijst naar de vaderloze geboorte van Jezus. Die geboorte was inderdaad een groot teken voor de Israëlieten. Zij verwees naar de op handen zijnde overgang van het profeetschap van het Huis van Israël naar dat van Ismaël. Zij hield ook een waarschuwing in voor de Israëlieten in de betekenis dat zij geestelijk zَ verdorven waren geworden dat geen enkele man onder hen geschikt was om de vader van een profeet van God te worden. God verordende daarom dat de geboorte van Jezus onafhankelijk van een vader zou plaats vinden.

Jezus had alleen een Israëlitische moeder en geen vader. De laatste fase in dit overgansproces echter, de grote en edele Boodschapper die later zou komen, zou noch een Israëlitische vader, noch een Israëlitische moeder hebben. Deze zou van onder een ander volk, van onder de Ismaëlieten, de broederen van de Israëlieten, verschijnen overeenkomstig de goddelijke profetie aan Mozes in Deut. 18:18. In deze betekenis wordt van Jezus in de Heilige Qor’aan gesproken als “een teken van het uur”, namelijk een teken van de tijd wanneer het profeetschap van de Israëlieten naar de Ismaëlieten zou overgaan.

Volgens de geciteerde verzen had de geboorte van Jezus plaats in een tijd dat zich aan de palmbomen van Judea verse, rijpe dadels bevonden. Dit seizoen moet in de maanden augustus en september zijn, maar volgens de door de Christenen aangehangen zienswijze is Jezus geboren op 25 december, welke dag in de Christelijke wereld ieder jaar nadrukkelijk wordt gevierd. Deze Christelijke zienswijze wordt niet alleen tegengesproken door de Heilige Qor’aan, maar ook door de geschiedenis en door de schrijvers van het Nieuwe Testament zelf.

Lukas schrijft over de tijd van de geboorte in 2:8 als volgt: “Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten en hun kudden bewaakten”. Bishop Barns schrijft in zijn boek “Rise of Christianity” op blz. 79: “Er is bovendien geen gezag voor het geloof dat 25 december de werkelijke geboortedag van Jezus was. Als we waarde hechten aan het geboorteverhaal van Lukas, waar herders bij nacht hun kuddes bewaakten in de velden bij Bethlehem, had de geboorte van Jezus niet plaats in de winter, als de temperatuur in het heuvellandschap van Judea zo laag is dat sneeuw niet ongewoon is. Na veel discussie schijnt de datum van Kerstmis te zijn vastgesteld omstreeks het jaar 300 A.D. Deze zienswijze van Bishop Barns wordt gesteund door de schrijvers van de artikelen over kerstmis in de Encyclopedia Brittanica en de Chambers Encyclopedia. In de Encyclopedia Brittanica lezen wij: “De juiste dag en het juiste jaar van de geboorte van Christus zijn nooit op een bevredigende wijze vastgesteld; waar de toenmalige kerkvaders besloten in 340 A.D. een dag vast te stellen waarop deze gebeurtenis zou worden gevierd. Zij kozen heel wijselijk de dag van de winterse zonnewende, welke dag stevig in het geheugen van de mensen was verankerd en welke hun belangrijkste feestdag was. Ten gevolge van veranderingen in door mensen gemaakte kalenders, variëren de tijd van de zonnewende en de datum van Kerstmis enkele dagen”.

In hoofdstuk 19, vers 36, lezen wij: “Het past niet bij Allah Zich een zoon te verwekken. Heilig is Hij. Wanneer Hij een beslissing neemt zegt Hij daartoe slechts: “Wees, en het wordt.” De Heilige Qor’aan spreekt in de meest krachtig bewoordingen tegen dat Jezus de zoon van God zou zijn, overeenkomstig de Christelijke visie. Als het onbestaanbaar is met Gods Majesteit om iemand als Zijn zoon aan te nemen, des te verwerpelijker is het voor Zijn Heiligheid en Glorie om een werkelijke zoon te hebben.

De Christenen geloven dat Jezus de Zoon van God was en zij nemen aan dat de Bijbel Jezus de Zoon van God noemt. In de Bijbel echter zijn andere personen ook zonen van God genoemd. Jezus geniet wat dit betreft geen speciale voorkeur en is daarom niet méér een zoon van God dan die personen die ook als zodanig zijn aangesproken. Het hier geciteerde Qor’aan vers geeft drie redenen waarom God geen zoon nodig heeft:

1) Als God een zoon zou hebben zou Hij niet vrij zijn van vleselijke verlangens en een vrouw moeten hebben om hieraan te voldoen; 2) Hij zou onderhevig moeten zijn aan verval en dood omdat de voortplanting van de soort, hetwelk de eigenschap van een Zoon van God zou inhouden, een kenmerk van stervelingen is;
3) Hij zou een helper nodig hebben om Hem in Zijn werk bij te staan of Zijn werk na Zijn dood voort te zetten. De God echter zoals deze wordt voorgesteld door de Islam, is volledig vrij van al deze gebreken en heeft daarom geen zoon nodig.

Het Christelijke dogma van het zoonschap van Jezus is in feite een onoplosbaar raadsel en gaat het menselijke bevattingsvermogen te boven. Als Jezus de zoon van God is, dan zal men van God moeten aannemen dat Hij niet in staat is om de zaken van de schepping, alleen en zonder hulp waar te nemen, en derhalve van Hem moeten aannemen dat Hij onvolmaakt en gebrekkig is. Maar omdat God volmaakt is en de Almachtige is, heeft Hij geen behoefte aan een zoon of een helper. Weer, volgens het Christelijke dogma, kunnen ieder van de drie godheden, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, omdat zij volmaakt zijn, het werk in het heelal zonder hulp verrichten en tٍch werken zij samen om datgene te doen wat ieder op zich kan verrichten. Dit is een vreemde situatie.

Wij lezen in de Heilige Qor’aan in hoofdstuk 5, de verzen
73 t/m 76:
Zij lasteren God, die zeggen: “Waarlijk Allah , Hij is de Messias, de zoon van Maria,” terwijl de Messias zelf zeide: “O, kinderen Israëls, aanbidt Allah, Die mijn Heer en uw Heer is.” Gewis voor hem die iets met Allah vereenzelvigt, heeft Allah de Hemel verboden en het Vuur zal zijn verblijfplaats zijn. Er is voor de onrechtvaardigen geen helper.

Waarlijk zij lasteren God, die zeggen: “Allah is Eén der Drie.” Er is geen God dan de enige God. En indien zij niet ophouden met hetgeen zij beweren, zal de ongelovigen een smartelijke straf overkomen.

Willen zij zich dan niet tot Allah wenden en om Zijn vergiffenis vragen terwijl Allah Vergevensgezind, Genadevol is?

De Messias, de zoon van Maria was slechts een boodschapper; voorzeker alle boodschappers vََr hem zijn heengegaan. En zijn moeder was een waarheidslievende vrouw. Zij plachten beiden voedsel tot zich te nemen. Zie, hoe Wij de tekenen voor hen (de mensen) verduidelijken, en zie, hoe zij zich afwenden.

Jezus benadrukte dus zeer duidelijk de Eenheid van God. Hieraan kan geen twijfel bestaan. Het was het Concilie van Nicea en in het bijzonder de Ieer van Athanasius die de leer van de Goddelijkheid van Jezus en de drieëenheid van God verdedigde, welke het huidige dogma zijn definitieve vorm gaf. Jezus zelf verwerpt deze leerstellingen in de hier genoemde verzen ten stelligste. In deze verzen wordt een aantal argumenten aangevoerd tegen de beweerde goddelijkheid van Jezus.

Op de eerste plaats wordt uiteengezet dat Jezus niet beter was dan andere Boodschappers van God. Hij bezat geen hogere status. Hij toonde geen wonderen welke ook niet door andere profeten werden getoond. In feite is het grootste wonder dat aan hem wordt toegeschreven het beweerde doen opstaan van de doden. De Bijbel echter schrijft soortgelijke wonderen toe aan andere profeten.
Het tweede argument dat tegen zijn goddelijkheid door dit vers wordt aangevoerd is het feit dat hij uit een vrouw was geboren. Omdat hij uit een menselijk wezen was geboren, kon hij niet goddelijk zijn. Bovendien is bekend dat een kind belangrijke fysieke en morele trekken van de ouders overneemt. Jezus moet de aard en de eigenschappen van zijn moeder hebben geërfd en kan daarom niet God zijn. Jezus was ook als andere menselijke wezens onderhevig aan natuurwetten zoals honger, het gebruiken van voedsel, enz.

In de Heilige Qor’aan wordt duidelijk verklaard dat Jezus slechts gezonden was tot de kinderen Israëls en derhalve een nationale, en geen wereldprofeet was. Wij lezen namelijk in hoofdstuk 3, vers 50: “En hij zal een boodschapper voor de kinderen Israëls zijn”.
Ook in het Evangelie zelf gaf Jezus zijn discipelen de uitdrukkelijke opdracht zijn boodschap alleen aan de Israëlieten te prediken. Wij lezen in het Nieuwe Testament in Matth. 10:5-6 hierover: “Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gebood hun: slaat niet de weg naar de heidenen in en treedt de steden van de Samaritanen niet binnen, maar gaat liever tot de verdwaalde schapen uit het huis van Israël”. Men kan niet aanvoeren dat dit verbod alleen van kracht was gedurende het leven van Jezus en dat het de discipelen na zijn dood vrij zou staan, aan de naties van de wereld te prediken, want deze veronderstelling werd door het Evangelie zelf tegengesproken. Wij lezen namelijk in Matth. 10 vers 23: “Als men u vervolgt in de ene stad, vlucht dan naar een andere. Voorwaar ik zeg u: gij zult de steden van Israël nog niet hebben afgereisd, wanneer de mensenzoon komt.” Volgens dit vers worden de volgelingen van Jezus aangespoord hun prediking te beperken tot de kinderen Israëls tot aan de tijd van zijn tweede komst. Een zelfde aansporing treffen wij aan op verscheidene andere plaatsen in het Evangelie. Alleen Matth. 28:19 zou anders kunnen worden uitgelegd. Dit vers luidt: “Gaat dus heen, onderwijst alle volken, doopt ze in de naam van de vader en van de zoon en van de Heilige Geest.”
Bij een nadere bestudering van dit vers blijkt echter dat ook hier de stammen van Israël worden bedoeld en niet alle volkeren en alle naties. De discipelen begrepen deze opdracht ook in deze betekenis, want wij lezen in Handelingen 11: 19: “Intussen waren zij, die zich hadden verspreid om de vervolging, door het optreden van Stéfanus ontstaan, tot Fenicië, Cyprus en Antiochië doorgedrongen en hadden aan niemand het woord verkondigd dan aan de joden alleen”. Ten aanzien van de kruisiging van Jezus lezen wij in de Heilige Qor’aan in hoofdstuk 4, vers 158: “En om hun zeggen: “Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van Maria, de Boodschapper van Allah gedood”, – maar zij doodden hem niet, noch kruisigden zij hem (ten dode), – doch het werd hun verward, en zij die hierover van mening verschilden zijn zeker in twijfel, zij hebben er geen kennis van, doch volgen slechts een vermoeden en zij doodden hem gewis niet.”

Hier wordt heel duidelijk verklaard dat Jezus niet stierf aan het kruis omdat als dit wel het geval zou zijn geweest, Jezus overeenkomstig Deut. 21: 23 een vervloekingsdood zou zijn gestorven.

Dit wordt in dit Qor’aanvers dus ten stelligste ontkend. Volgens de Joodse wetten zou namelijk een valse profeet aan het kruis een vervloekingsdood sterven. De Heilige Qor’aan verklaart dat de kruisiging niet voltooid werd en dat Jezus levend van het kruis werd afgenomen. De Heilige Qor’aan ontkent niet het feit dat Jezus is gekruisigd, doch ontkent alleen dat hij aan het kruis is gestorven.

De verklaringen van dit Qor’aanvers worden gesteund door de volgende feiten die wij in het Evangelie aantreffen:
1) Jezus had zelf zijn ontsnapping aan de kruisdood voorspeld, toen hij volgens Matth. 12:10 zei: “Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, zo zal ook de mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.” Het is een geaccepteerd feit dat Jonas levend de buik van de walvis was binnengegaan en er ook levend was uitgekomen; dus volgens zijn eigen voorspelling zou Jezus het hart van de aarde, d.w.z. zijn graf, levend binnengaan en er ook levend weer uitkomen.

2) Pilatus, die een gerechtelijk onderzoek deed naar de positie van Jezus, geloofde dat hij onschuldig was, en omdat Pilatus sympathiek tegenover Jezus stond wilde hij alles doen om zijn leven te redden. In het Evangelie treffen wij ten aanzien hiervan op verschillende plaatsen verslagen aan. Pilatus heeft hoogstwaarschijnlijk in het geheim getracht Jezus te redden of tenminste oogluikend toegestaan dat anderen dit probeerden te doen.

3) De vrouw van Pilatus had een visioen betreffende de onschuld van Jezus. Wij lezen hierover in Matth. 27:19 “Terwijl hij daar op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem zeggen: Bemoei u niet met deze rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om hem geleden.” Deze boodschap moet Pilatus zeker hebben beïnvloed, en zijn vrouw moet ook haar best hebben gedaan om Jezus te redden.

4) Wij zien in Matth. 27:24 dat Pilatus het doden van Jezus zَ verafschuwde dat hij zijn handen met water waste en zei dat hij onschuldig was aan het bloed van deze rechtvaardige man.

5) Pilatus deed al hetgeen hij kon om Jezus te helpen en de soldaten die toezicht hielden behandelden Jezus ook met vriendelijkheid, klaarblijkelijk onder de instructies van Pilatus. Zo werd volgens Matth. 27:32 en Marcus 15:21 iemand anders belast met het dragen van het kruis, terwijl gewoonlijk iedere misdadiger zijn eigen kruis moest dragen. Ook werd Jezus wijn of azijn gemengd met mirre te drinken gegeven. Dit werd gedaan om hem minder gevoelig voor pijn te maken. De twee dieven die met hem werden gekruisigd kregen deze drank niet. Toen na enige tijd deze drank was uitgewerkt en Jezus het uitschreeuwde van de pijn, werd hem deze drank weer toegediend. Dit wordt bevestigd op verschillende plaatsen in het Evangelie.

6) De bewusteloosheid die het gevolg was van het toedienen van deze drank werd voor de dood aangezien. Dit blijkt duidelijk uit Joh. 19:30.

7) In Joh. 19:34 lezen wij: “Maar een der soldaten doorboorde met een lans zijn zijde en aanstonds vloeide er bloed uit en water.”
Het is algemeen bekend dat als de dood intreedt de bloedsomloop stopt ten gevolge van het ophouden van de pompende werking van het hart. Het feit dat de bloedsomloop in het geval van Jezus nog plaatsvond toen men zijn zijde met een lans doorboorde, is een onomstotelijk bewijs dat hij nog leefde.

8) Jezus bleef volgens Joh 19:14 en Matth. 27:46 slechts ongeveer drie uur aan het kruis en volgens Markus 15:25,33 slechts zes uur en geen van deze perioden is lang genoeg om een jonge man zoals Jezus te doden.

9) Toen Josef van Arimathea naar Pilatus ging om hem om het lichaam van Jezus te verzoeken, verbaasde Pilatus zich erover dat hij al zou zijn gestorven en ontbood volgens Marcus 15:44 de honderdman en vroeg hem of Jezus al enige tijd dood was.

10) De soldaten braken volgens Joh 19:32,33 niet de benen van Jezus, maar wèl de benen van de twee misdadigers die tegelijk met hem werden gekruisigd.

11) Jezus werd niet met de twee misdadigers in de aarde begraven, maar werd afzonderlijk in een ruim graf gelegd dat in een rots was uitgehouwen en zich op privéterrein bevond. (Zie hiervoor Marcus 15:46 en Joh. 19:41,42)

12) Uit Joh. 19: 31 blijkt dat de Joden er zelf niet zeker van waren dat Jezus dood was, want zij bezochten Pilatus en verzochten hem dat de beenderen van Jezus moesten worden gebroken.

13) De twijfel dat Jezus nog leefde en met behulp van sympathisanten uit het graf zou kunnen ontsnappen had bij de Joden postgevat. Zij herinnerden zich hierbij ook de profetie van Jezus dat hij het wonder van Jonas zou tonen en levend uit de aarde zou opstaan. Beïnvloed door deze ideeën gingen de hogepriesters en Farizeeën tezamen naar Pilatus en zeiden hem: “Wij herinneren ons dat deze bedrieger toen hij nog leefde, zei: “Na drie dagen zal ik weer opstaan.” Geef daarom opdracht dat het graf tot de derde dag wordt bewaakt.” Pilatus zei hem dat zij dit zelf moesten regelen. Hierop lieten zij het graf bewaken en verzegelden de sluitsteen.”
(Zie hiervoor Matth. 27: 62-66).

14) Ondanks de bewaking van het graf en ondanks de verzegeling van de steen had Jezus het graf verlaten voordat de derde dag was aangebroken toen Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus, naar het graf gingen en zagen dat de steen was weggerold en het graf leeg was. Dit toont aan dat de mensen die de wacht moesten houden met de vrienden van Jezus samenwerkten en hiertoe door hen waren overgehaald. (Zie hiervoor Matth. 27; 62-66.)

15) Nadat hij het graf had verlaten trok Jezus in het geheim rond uit vrees dat de Joden hem weer zouden arresteren. (Dit zien wij in Marcus 16:12, Joh.20:19,26 en 21:4)

16) In Marcus 16, de verzen 9 en 12, lezen wij dat Maria Magdalena en andere discipelen Jezus zagen in zijn stoffelijk lichaam.

17) Jezus toonde hun zijn wonden om hun de verzekering te geven dat hij geen geest was, maar een mens van vlees en bloed en dat het lichaam dat zij voor zich zagen hetzelfde fysieke lichaam was dat aan het kruis was genageld. Dit lezen wij in Lucas 24:39 en 40 en Joh. 20:27)

18) Nadat hij het graf had verlaten had Jezus honger en gebruikte tezamen met zijn discipelen voedsel. (Zie hiervoor Joh. 21:5,13 Lucas 24: 41-43)

Alle verwijzingen naar het Evangelie die ik hier heb gemaakt maken duidelijk dat Jezus niet aan het kruis is gestorven, dat hij leefde toen hij van het kruis werd genomen en in het graf werd gelegd, dat hij leefde toen hij op de derde dag vroeg in de morgen, zoals hij zelf had voorspeld, het graf verliet en dat hij later in het geheim aan zijn discipelen verscheen en hen de verzekering gaf dat hij niet dood was. In Joh. 10:16 zegt Jezus: “Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet ik leiden en zij zullen luisteren naar mijn stem.” Dan zal het worden: één kudde, één herder.”

Met deze woorden verwijst hij klaarblijkelijk naar de verloren tien stammen van Israël die zich hadden verspreid in Afghanistan en Kashmir. Op zoek naar deze stammen ging Jezus naar het Oosten, na op een wonderbaarlijke wijze te zijn ontsnapt aan een vervloekingsdood aan het kruis, en hij ligt thans begraven temidden van deze stammen in de stad Srinagar in Kashmir. Overtuigend, historisch bewijs materiaal heeft vastgesteld dat de heilige die ligt begraven in het graf aan de Khan Yar straat in Srinagar niemand anders is dan Jezus, de zoon van Maria.

Wij lezen in de Heilige Qor’aan 61: 7 dat Jezus ten aanzien van de komst van een profeet nل hem, het volgende zegt: “En toen Jezus de zoon van Maria, zeide: “O kinderen van Israël, ik ben Allah’s boodschapper voor u, datgene bevestigend wat vََr mij in de Torah was, en een blijde tijding gevende van een boodschapper die nل mij zal komen, zijn naam zal Ahmad zijn. En als hij tot hen komen zal met duidelijke bewijzen zullen zij zeggen: Dit is louter bedrog.”
Ook in het Evangelie lezen wij op verschillende plaatsen dat Jezus verwijst naar een profeet die nل hem zal komen. Zo lezen wij in Joh. de verzen 7-14: “Doch ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u dat ik heenga. Want indien ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien ik heenga, zal ik hem tot u zenden”….
Verder lezen wij: “Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer hij komt, de Geest der waarheid, zal hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat hij hoort, zal hij spreken en de toekomst zal hij u verkondigen”.

In het eerder genoemde Qor’aanvers verwijst Jezus duidelijk naar een profeet die na hem zou komen en wiens naam Ahmad is. Nu is Ahmad een van de namen van de Heilige Profeet van de Islam. Men kan uit deze profetie van Jezus ook de gevolgtrekking maken dat zij betrekking heeft op de Beloofde Messias en Mahdi, de Stichter van de Ahmadiyya Beweging in de Islam, die in verschillende profetieën is voorspeld en wiens naam ook Ahmad is. In hem vond namelijk de tweede manifestatie van de Heilige Profeet plaats en tevens de voorspelde tweede komst van Jezus. In Matth. 23: 38-39 verwijst Jezus ook naar de komst van een profeet na hem. Wij lezen daar namelijk: “Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Want ik zeg u, gij zult mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam, des Heren.” In deze profetie worden twee komsten voorspeld. Een zou na het heengaan van Jezus plaatsvinden; die zou als het ware de komst van God zijn. De andere zou de tweede komst zijn van Jezus zelf. De woorden doen duidelijk uitkomen dat de tweede komst van Jezus niet eerder zal geschieden dan na de komst van hem “die komt in de naam des Heren.”
De profetie van Jezus en het vaststaande feit van de komst van de Islam en diens Heilige Profeet, laten er geen twijfel over bestaan dat in het goddelijke plan de komst van Jezus niet het laatste stadium in geestelijke vooruitgang zou kenmerken. Het laatste stadium zou worden gekenmerkt door de komst van iemand, “die komt in de naam des Heren”. Alleen zij zullen Jezus bij zijn tweede komst zien, ontvangen en erkennen die voordien, de profeet “die komt in de naam des Heren” zullen hebben aanvaard. Een loochenaar van die profeet, de Heilige Profeet van de Islam, zal ook Jezus bij zijn tweede komst niet kunnen herkennen. Dit is zo omdat Jezus bij zijn wederkomst onder de volgelingen van die Profeet zal worden gevonden. Alléén zij die eerst in die Profeet geloofden, zullen in de tweede komst van Jezus kunnen geloven. Wanneer Jezus voor de tweede maal komt zal hij daarom geen onafhankelijk leraar zijn; hij zal een streng volgeling en een evenbeeld zijn van die Profeet. Dit laatste stadium van geestelijke vooruitgang zal dus worden gekenmerkt door die Profeet en door geen ander.
Wij zien dat de wederkomst van Jezus heeft plaatsgevonden in de persoon van Hazrat Ahmad van Qadian, de Beloofde Messias en Mahdi, de stichter van de Ahmadiyya Beweging in de Islam, die een streng volgeling was van de Heilige Profeet van de Islam en optrad in de geest van Jezus. Hij leefde van 1835 tot 1908.

Jezus heeft zijn wederkomst zelf voorspeld. Hij heeft gesproken over de tekenen van de tijd waarin hij zou wederkomen. Hij heeft namelijk gezegd, zoals wij in Matth. 24:6-7 lezen: “En gij zult horen van oorlogen en van oorlogsgeruchten….. Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; en er zal hongersnood zijn en aardbevingen hier en elders”. Wij zien dat al deze tekenen in vervulling zijn gegaan. Er zijn oorlogen, hongersnoden, aardbevingen geweest en wel zo hevig als nooit eerder in de wereld is voorgekomen. De rampspoeden van deze tijd zijn universeel en zij roepen om een universeel geneesmiddel.

God heeft Zijn schepping niet vergeten. Hij heeft ook Zijn belofte niet vergeten. Hij heeft in deze eeuw Zijn boodschapper gezonden. Deze boodschapper heeft er aanspraak op gemaakt te zijn gekomen in de geest en in de kracht van Jezus. Hij kwam uit een land dat precies ten oosten van het Heilige land is gelegen zoals is voorspeld. Wij lezen namelijk in Matth. 24:27: “Want zoals de bliksem uitschiet van het oosten en flitst tot het westen; zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn”.

Hij is gekomen om alle mensen tot één geloof te verzamelen, namelijk de Islam, die de enige oplossing biedt voor alle problemen waarmee de wereld wordt geconfronteerd. Hij heeft gezegd: “Ik ben het licht van deze donkere eeuw. Hij die mij volgt zal worden gered van de valkuil die Satan heeft bereid voor hen die in de duisternis wandelen.” Verder heeft hij gezegd: “Jezus heeft de Joden in dezelfde toestand aangetroffen als die waarin ik de wereld thans aantref en evenals een gebrek aan geloof de liefde tot God uit de harten van de Joden had verdreven en hun morele normen had verwoest, zo is de wereld thans opgehouden God lief te hebben, en ik ben gezonden om de waarheid en het geloof te herstellen en de liefde en vrees voor God in de harten van de mensen te doen herleven. Dit alleen is het doel van mijn bestaan”.

Men kan natuurlijk bezwaren maken tegen de aanspraken van de Beloofde Messias omdat zijn komst niet heeft plaatsgevonden op de wijze die velen verwachtten. Als wij echter terugblikken in het verleden zien wij dat ook Elias, die volgens het tweede Boek der Koningen 2:11 in een wagen, getrokken door paarden naar de hemel opsteeg, nooit terugkeerde zoals men verwachtte. Volgens Maleachi 4:5 zou zijn terugkeer voorafgaan aan de komst van de Messias. De wederkomst van Elias vond echter plaats in de persoon van Johannes de Doper, die optrad in de kracht en de geest van Elias, maar die niet op fysieke wijze uit de hemel nederdaalde. Dit blijkt duidelijk uit Matth. 11:14 en 17:12-13. Dit toont duidelijk aan dat als iemand die volgens de Schriften naar de hemel is opgestegen om later naar deze sterfelijke wereld terug te keren, hij niet werkelijk met zijn stoffelijke lichaam ten hemel is opgestegen en dat niet dezelfde persoon zal terugkeren om onder ons te leven. Van Jezus wordt ook gezegd dat hij ten hemel is opgestegen. Zijn hemelvaart was echter geestelijk, en daarom moet zijn terugkeer ook geestelijk zijn. Jezus heeft zelf zijn fysieke terugkeer naar deze wereld ontkend. Volgens Matth. 23:39 heeft hij namelijk gezegd: “Van nu af zult gij mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heren”.

De aanspraak van Hazrat Ahmad dat hij gekomen was in de naam van Jezus moet men in dit licht zien. Het is te hopen dat de fout die de Joden hadden gemaakt, namelijk het niet aanvaarden van de aanspraak van Johannes de Doper en het vervolgens verwerpen van de aanspraken van Jezus dat hij hun Messias zou zijn, als een les en een waarschuwing moge dienen voor die Christenen die wachten op de wederkomst van Jezus. Laat hen niet tè zelfverzekerd zijn dat de wederkomst van Jezus precies zo zal geschieden als zij het verwachten. Laat hen daarom luisteren naar de roep van hem die is verschenen in het oosten en laat hen de waarheid van de aanspraken van Gods gezalfde -Ahmad, de Beloofde Messias, de stichter van de Ahmadiyya Beweging in Islam-, onderzoeken overeenkomstig het criterium dat door Jezus is genoemd in Matth. 7:15-20. Dit criterium is het volgende: “Wacht u voor de valse profeten, die tot u komen in schaapskleren, maar inwendig roofgierige wolven zijn. Aan hun vruchten zult gij ze kennen. Plukt men dan druiven van doornen, of vijgen van distels? Zo draagt iedere goede boom ook goede vruchten; maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, en een slechte boom geen goede vruchten. Iedere boom die geen goede vruchten draagt zal omgehouwen worden en in het vuur geworpen. Aan hun vruchten dus zult gij ze kennen”.

Waarom is nu de Beloofde Messias verschenen onder de Moslims? Dit is omdat alle andere godsdiensten in de Islam zijn opgenomen en omdat de Islam de voltooiing is van de openbaring van God aan het mensdom. Wij lezen namelijk in de Heilige Qor’aan in 5:4: “Nu heb ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en de Islam voor u als godsdienst gekozen”. Dit is de reden dat alleen de Heilige Profeet Mohammad (vzmh) is gezonden voor het gehele mensdom, terwijl alle voorafgaande profeten, waaronder ook Jezus, waren gezonden tot bepaalde stammen of volkeren. Islam ontkent de waarheid van het Christendom niet, maar maakt er aanspraak op de voltooiing van het Christelijke geloof te zijn en het oorspronkelijke zuivere geloof zoals dit werd onderwezen door Jezus te vertegenwoordigen. Het was daarom noodzakelijk dat de Beloofde Messias onder de Moslims zou verschijnen om de waarheid van de Islam opnieuw te vestigen en te wijzen op de misvattingen en valse overtuigingen die in alle godsdiensten in het algemeen waren geslopen en in het Christendom in het bijzonder. De Beloofde Messias heeft gezegd: “De Almachtige God behaagt het niet dat aan iemand een grotere eer en waardigheid wordt toegekend dan waarop hij recht heeft. Dit is tegen Zijn Eenheid. Omdat Jezus, die God naar de Israëlieten had gezonden als de Messias, als God werd beschouwd, heeft de goddelijke bezorgdheid verordend dat iemand anders als de Messias zou worden gezonden opdat de wereld moge weten dat de eerste Messias niets meer was dan een zwakke sterveling. De Almachtige God heeft, door een van de volgelingen van de Heilige Profeet Mohammad (vzmh) te verheffen tot de waardigheid van de Messias, niet alleen de dwaling van de Christenen met betrekking tot het overmatig verheffen van Jezus gecorrigeerd, maar ook de juiste waardigheid onthuld van hem wiens dienaar is verschenen als de Messias van de laatste tijden.