Gods Eenheid

Gods Eenheid is het geloofspunt waarop de gehele godsdienst van de Islam gebaseerd is.

Dit is het eerste en grootste geloofspunt waar de Islam op gebouwd is. De 112de hoofdstuk (soerah) van de Heilige Koran, genaamd “Gods Eenheid” is hieraan gewijd. Deze soerah, bestaat uit vier verzen en luidt als volgt:

“Zeg: “Allah is de Enige. Allah is zichzelf-genoeg, Eeuwig. Hij verwekte noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk” (Koran 112:1-5).

Deze soerah wordt door moslims veel in hun gebeden gereciteerd. Het derde vers van deze soerah verwerpt de opvatting dat God een Zoon zou hebben. Deze stelling wordt door de Islam uitdrukkelijk verworpen daar zij in strijd is met het monotheïsme. Bij het aannemen van deze stelling “Zoon van God “ ontstaat veelgodendom.

De Eenheid van God kan men terugvinden door de gehele Koran. Dit wordt steeds opnieuw met nadruk vermeld; het wordt de moslim als het ware in het hart gegrift. Soerah Al-Baqarah vers 256 is een van de schoonste verzen betreffende Gods Eenheid en Volmaaktheid en luidt al volgt:

“Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande. Sluimer, noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder zijn verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en achter hen is en zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide vermoeid Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote”(Koran 2:256).

De geloofsformule die in de Heilige Koran geopenbaard is, waarin de Eenheid van God wordt uitgedrukt, luidt als volgt:

La ilaha ill-allah, wat vertaald kan worden als:

“Er is geen Ilah buiten GOD.”

Indien men echter de betekenis kent van het woord “ilah” (aanbiddenswaardig). Dan weet men, dat het hier niet gaat om een dood dogma. Men zal juist integendeel beseffen, hoe “ La ilaha ill-allah “ leeft voor de moslims. En hierdoor de kern van de Islam gaan begrijpen, dus de Islam zelf.

De betekenis van het woord “ilah” is “voorwerp van verlangen, aanbidding en liefde”. Wanneer dus een moslim de geloofsformule (in het Nederlands: Er is geen “ilah “buiten God) uitspreekt, zegt hij, dat “niemand en niets waardig is begeerd, aanbeden en bemind te worden dan God alleen”

Hieruit blijkt dus, dat in de Islam het verlangen, de aanbidding en de liefde huldeblijken zijn, die alleen aan God bewezen mogen worden; gaat de liefde, het verlangen of de aanbidding van de mens naar iets anders uit dan naar God alleen, dan heeft voor die mens God opgehouden de Enige God te zijn; die mens is dan volgens de Islam, een afgodendienaar.

Het zijn niet alleen de goden van hout of steen die door de mensenhand zijn gemaakt, waartegen de mens gewaarschuwd wordt; ware dit zo, dan had deze formule niet meer bestaan. Slechts de primitieve mens zal zich aan deze vorm van aanbidding overgeven. Zodra de mens echter zijn voet een trede hoger zet, op de trap van geestelijke ontwikkeling, dan ziet hij meteen zijn fout in. Het zijn vooral die goden, die in het hart zetelen, waartegen een moslim moet strijden.

Niet alleen voor het verwilderd, afgodendienend Arabierenvolk werd veertien eeuwen geleden deze formule geopenbaard. Maar juist ook ten behoeve van alle volkeren. Vanaf de minst geestelijk ontwikkelde mens, tot hem, die God heel dichtbij heef benadert. Allen hebben wij te getuigen, dat er geen “ilah” is buiten God, namelijk dat niemand en niets waardig is om begeerd, aanbeden en bemind te worden dan God alleen.

Wellicht zullen sommigen vragen:

“Moet een moslim dan niet zijn medemens, zijn naaste, liefhebben? Moet hij dan niet al wat in zijn vermogen is, bijdragen tot verdrijving van ellende en armoede, tot leniging der smart?”

Het antwoord hierop is, dat het natuurlijk dwaas zou zijn indien men God lief wil hebben en dan alles wat door God geschapen is, en wat aan Hem toe behoord, te verachten of te haten.

Zo mag een moslim van al het goede dat hem hier op aarde geschonken wordt er in mate “dankbaar“ gebruik van maken. Op verschillende plaatsen wordt dit in de Koran vermeld. En steeds wordt daaraan toegevoegd:

“En looft Uw Heer“

voor al het goede dat u ontvangt. Hij dient dus indachtig te zijn, dat hij dit van zijn Heer ontvangt, zelfs voor wat hij zich heeft verschaft door eigen verstand of eigen inspanning, is hij dank aan God verschuldigd, daar Deze hem begiftigde met talent of wilskracht.

Onze medemens dienen we niet om diens wil lief te hebben, maar wij moeten deze mens eerst liefhebben om zijn Schepper en dan zal onze liefde onszelf en onze naaste tot zegen zijn.

Een moslim mag niet slechts wat hij kan bijdragen tot leniging van de smart en armoede, maar hij moet dit doen; het is een uitdrukkelijk gebod, dat men op verschillende plaatsen in de Heilige Koran aantreft. De ware weldadigheid is echter deze die geestelijke zegen afwerpt. Indien een moslim een arme voedt of kleedt, enkel en alleen om deze laatste te voeden of te kleden, zal dit weldoen noch voor hem, noch voor die arme een zegen afwerpen. De weldadigheid die men zijn medemens bewijst, moet echter in de allereerste plaats ontspruiten uit de overheersende drang, God zijn dankbaarheid te tonen voor eigen ontvangen weldaden, voor zijn eigen gezondheid, voor zijn eigen voorspoed. In de tweede plaats moet het hoofddoel van weldadigheid zijn, niet dat de medemens gevoed of gekleed wordt, maar dat voor de ontvangen weldaad ook van die arme een juichtoon zal opstijgen tot Gods troon, dat weer een schepsel Gods Naam verheerlijkt en God looft. Want het is het verheerlijken van Gods Naam, dat het streven van de mens moet zijn. Alle liefde, elke weldaad die men de naaste betoont, moet dus alleen gegeven worden: “God ter eer“. God behoren wij toe, tot God keren we terug.

Bij alles wat wij in dit leven ondernemen, moet dus ook God en de verheerlijking van Zijn Naam ons enige doel zijn. Dus ziet men, dat niet alleen het verlangen en de aanbidding van de moslim aan God gewijd zijn, maar dat ook de liefde van de moslim tegenover zijn naaste ook inderdaad liefde tot God is.

Alle lof behoort Hem Die de Eeuwigdurende is. Niemand is zijn gelijke, noch lijkt iemand op Hem.

Hazrat Mirza Ghulam Ahmed, de Beloofde Messias